Geplaatst op 24 april 2017

Jaargang 24 – nr.1 – feb 2015

Van de voorzitter

In de vorige uitgave van dit magazine gaf ik aan dat aanpassing van Artikel 17 van het algemeen reglement KNVB op de agenda van de Bondsvergadering zou staan. Zoals verwacht mocht worden, is deze vergadering op 2 december 2014 akkoord gegaan met de voorgestelde aanpassingen. Deze aanpassingen zijn mede op aandringen en advies van de VVON tot stand gekomen. Hoewel de formuleringen hier en daar wat ons betreft nog wat duidelijker en scherper hadden mogen zijn, denken wij met de nieuwe tekst beter de strijd te kunnen aanbinden tegen het onbevoegd trainen en coachen. Verderop in deze uitgave meer over het gewijzigde Artikel 17.

Voor het trainen en coachen van jeugdteams bestaat voor het overgrote deel geen licentieplicht. Er worden geen eisen gesteld aan trainers die zich bezig houden met het opleiden van de jongste jeugd. En dat is toch eigenlijk wel heel erg vreemd. Op 15 december 2014 mocht ik aanwezig zijn bij het door de KNVB georganiseerde coachcongres over de toekomst van het Nederlands voetbal. Los van de vraag of het nu wel of niet slechter gaat met het Nederlands voetbal, zijn er aan het einde van het congres een aantal speerpunten geformuleerd. Vrijwel alle speerpunten hebben een relatie met het opleiden van voetballers. De kwaliteit van jeugdtrainers is daarbij van cruciaal belang. Eén van de geformuleerde speerpunten is dan ook “het verhogen van de kwaliteit van jeugdtrainers”. Wat mij betreft dienen we zo snel mogelijk de bestaande trainersopleidingen van de KNVB te evalueren. Worden onze jeugdtrainers nog wel voldoende voorbereid op hun belangrijke taak om spelers op een goede wijze op te leiden? Wordt er nog wel voldoende aandacht besteed aan de techniek? Wiel Coerver had een soort van haat-liefde verhouding met de KNVB. Misschien is nu het moment gekomen om nog eens goed te kijken naar het levenswerk dat door hem is achtergelaten. Ik vind van wel.

In onze districten wordt op dit moment al weer veel werk verricht om in het voorjaar een aantal studiebijeenkomsten te organiseren. Hoewel de details nog niet helemaal bekend zijn, gaan we waarschijnlijk een bezoek brengen aan Arnhem, Sneek, Vlissingen, Sittard, IJmuiden en Rotterdam. Daarnaast kunt u 15 mei 2015 alvast in uw agenda noteren. Dan vindt in Zwolle het 13e Nederlands Trainerscongres plaats. Details over de bijeenkomsten vindt u op onze website en uiteraard zullen wij u ook via onze nieuwsbrieven op de hoogte houden.

Tijdens een aantal studiebijeenkomsten zijn video-opnames gemaakt van de trainingen. Deze video’s met oefenstof zijn onlangs geplaatst op onze website. Uiteraard is het voor ons nog een beetje zoeken naar het juiste format, maar wij hopen dat u deze service weet te waarderen. Mocht u suggesties hebben ten aanzien van de aangeboden video’s, dan horen wij dat graag van u.

Tot slot wil ik nog uw aandacht vragen voor de bijdrage van onze huisadvocaat Mr. Beele, verderop in dit blad. Het betreft dan in het bijzonder de invoering van de Wet Werk en Zekerheid (WWZ) per 1 juli 2015. Heeft u vragen over dit onderwerp, dan kunt u deze uiteraard aan ons stellen. Ook beoordelen wij graag uw arbeidsovereenkomst voordat u een handtekening plaatst. Voorkomen is namelijk beter dan genezen.

Ik wens u een mooie en succesvolle 2e seizoenshelft toe.

 

“Geef de wisselspelers de waardering die ze verdienen” - Dennis Dekkers, trainer/coach OJC Rosmalen

De entree van OJC Rosmalen in de Topklasse verloopt zeer voorspoedig. Het was jarenlang werken voor hoofdtrainer Dennis Dekkers en zijn staf, maar de promotie geeft trainer en spelers nieuwe energie. “De dynamiek van ontwikkelen is opnieuw begonnen.”

Tekst: Rogier Cuypers | Beeld: Thijs Meeuwsen

Dennis Dekkers zette op voetbalgebied nooit een voet buiten Brabant. Van origine is hij ‘een echte Vlijmense Boys-man’, zoals hij het zelf uitdrukt. Op jonge leeftijd ging hij als trainer aan de slag en besloot als begin twintiger zijn TC III te halen. Na een paar jaar gewerkt te hebben bij Vlijmense Boys waren de mogelijkheden als trainer groter bij ‘buurman’ Haarsteeg. “Daar kon ik me als trainer beter ontwikkelen. Het was een hoger niveau en dus ook voor een trainer. Toen ben ik ook mijn TC II-diploma gaan halen en werd het vak echt serieus.”

Vervolgens verkaste Dekkers naar OJC in Rosmalen. Na het leiden van de A1 kreeg hij de kans om trainer van het tweede te worden. Een kruispunt in zijn trainersleven. Hij moest de keus maken: doorvoetballen op zijn 33e of definitief de stap naar het trainersvak maken. “Van jongs af aan is zelf voetballen mijn passie geweest. Je wilt zelf het moment bepalen wanneer je er een punt achter zet. Nu moest ik een keuze maken. Tot en met de eerste klasse had ik alles al gezien en de Hoofdklasse halen zou niet lukken. Dus uiteindelijk was de keuze niet heel moeilijk en heb ik mijn pijlen op het trainersvak gericht.”

Omgang

Dekkers werd assistent van het eerste elftal en is inmiddels bezig aan zijn zesde jaar als eindverantwoordelijke van OJC 1. Het vak blijft hem boeien. “Het omgaan met mensen intrigeert me. Het is mijn insteek om een band met een groep op te bouwen. Van daaruit probeer ik spelers door middel van een positief-kritische aanpak te laten groeien. En als dat gebeurt, dan haal ik daar mijn energie vandaan. Ik wil het iedereen naar zijn zin maken, al besef ik dat het een utopie is. Eigenlijk is het omgaan met een voetbalteam hetzelfde als op kantoor: met een aantal heb je een close band, met veel heb je een goede werkrelatie en er zijn ook mensen waarmee de klik nooit zal komen. Samen met mijn staf probeer ik met iedereen een goede werkrelatie op te bouwen. We willen dat spelers zich ontwikkelen in een klimaat waar ze ook fouten mogen maken.”

Bankzitters

Het vormen van een team gaat verder dan de eerste elf. Daar is Dekkers zich, net als alle andere trainers, zich zeer van bewust. Het belang om ook de ‘bankzitters’ te blijven prikkelen, haalde hij ook uit zijn eigen actieve carrière. “Zelf heb ik veel als basisspeler gespeeld, maar eigenlijk was ik nooit onomstreden. Elke ploeg heeft bepalende spelers en een kern daar omheen. Ik zat in die kern, maar soms ook niet. Ieder jaar moest ik knokken voor mijn plek. Dat heeft me wel deels gevormd.”

“De eerste elf zijn wel tevreden”, vervolgt de Brabander. “Een basisspeler voelt zich goed, daar haalt hij vertrouwen uit. Maar denk ook aan de jongens die daar achter zitten. Geef de waardering die ze hard nodig hebben. Je moet je aandacht verspreiden en zelfs de wisselspelers van dat moment wat meer persoonlijke aandacht geven. De basisspelers leren ook door te spelen. Ik hoop ook dat elke speler zich gewaardeerd voelt.”

Dekkers heeft oog voor iedereen binnen het team, maar schept wel duidelijkheid. Hij is niet iemand die zijn keuzes voor de basisploeg laat leiden door de waan van de dag. “Aan het einde van de voorbereiding geven we iedereen een briefje. Daarop staat waar iedereen zich ten opzichte van de groep bevindt. Is hij een basisspeler of een bankzitter bijvoorbeeld. Ook staat erin waar de speler zich op moet richten.

Jongens die langer met me werken weten dat als ik voor een bepaalde basis kies, ik dat niet voor één duel doe. Ze krijgen dan drie, vier duels de kans. Dan moet je vervolgens wel door het resultaat heen kijken. Ook als we iemand een kans geven, dan krijgt hij een paar wedstrijden de kans. We kunnen iemand wel wisselen als we ontevreden zijn, maar dan weet zo iemand dat hij de week erna er gewoon in staat. Dat geeft een stukje rust en dat zorgt voor duidelijkheid.”

Gedogen

Zijn werkwijze wordt door spelers en oudspelers van OJC gewaardeerd. “Inmiddels ben ik al vijf jaar hoofdtrainer van OJC en heb ik ook nog contact met spelers die niet meer spelen. Een aantal oudere spelers zeiden ook dat het mijn kracht is dat ik meer oog heb dan alleen voor het voetbal. Als je 27, 28 bent heb je vaak een loopbaan en misschien een gezin. Dat is soms lastig te combineren met sport. Zelf wilde ik ook nooit een training overslaan, maar ook ik stond wel eens in de file. Dan had ik gewoon pech. Datzelfde hebben jongens die een studie volgen. We zijn amateurs en overdag zitten die jongens op school, maar hebben ook tentamenweken. Een deel kun je zelf plannen, maar als iemand drie tentamens op één dag heeft, dan wordt het lastig. Ik ben daarom ook een voorstander van emotionele teambuilding. Jezelf verplaatsen in de mens achter de speler. Dat zorgt er in mijn ogen ook voor dat spelers heel open naar me zijn. Ik zeg ook dat school belangrijker is dan voetbal. Dat is hun toekomst. En er is ook de mogelijkheid om een training in te halen.”

“Of spelers misbruik maken van de situatie? Dat is moeilijk te toetsen”, vervolgt hij. “Misschien is het wat naïef van me, maar ik ga uit van het goede van de mens. Als ze zeggen dat ze een tentamen hebben, geloof ik dat. En daarnaast, we spelen Topklasse. De prijzen worden door de week verdeeld. De afmeldingslijst is dan ook niet erg groot. Per maand zijn er slechts vijf of zes spelers die maximaal één training gemist hebben. Bij een eerste elftal op dit niveau snappen ze dat wel.”

Technische teambuilding

Bij zijn aantreden als hoofdtrainer nam Dekkers het 4:4:2-systeem van zijn voorganger over. Uiteindelijk koos hij ervoor om zijn favoriete systeem (4:3:3) en dat waar ze in de jeugd van OJC in spelen. “Toen ik het overnam speelden we 4:4:2. Als je in de jeugd en met het tweede elftal dominant en aanvallend speelt en met het eerste niet, is dat vreemd. Als de situatie er naar is moet je kunnen switchen, maar naar mijn mening moet je de visie van de club doortrekken naar het eerste elftal. Het seizoen dat ik als hoofdtrainer afmaakte, heb ik de 4:4:2 gehanteerd. Als je als voormalig assistent alles omgooit, ben je ook niet geloofwaardig. Vervolgens hebben we de 4:4:2 tactisch doorontwikkeld en gaandeweg zijn we overgestapt naar 4:3:3. Dat was niet een enorme omslag, want elke oefenwedstrijd speelde ik al in die formatie. Toen we nog in de Hoofdklasse speelden, was onze filosofie dat we maandelijks een oefenwedstrijd tegen minimaal een eerste klasser speelden met de wissels van dat moment. We keken niet naar de uitslag. Op die manier krijgen de wisselspelers meer weerstand om een stapje te maken.”

Houvast

De filosofie van Dekkers en OJC is niet veranderd. Toch is het verschil tussen Hoofdklasse en Topklasse dermate dat de ploeg soms minder dominant kan zijn. “Vorig jaar grepen we elke tegenstander op eigen helft bij de strot. In de Topklasse is ons systeem hetzelfde, al worden we vaker teruggedrongen en zijn we genoodzaakt vanuit de omschakeling te spelen.”

“Tactisch is 4:3:3 ook het eenvoudigst aan te leren”, vervolgt de oefenmeester. “Dat geeft houvast. Speel je 4:4:2 dan moet je tactisch sterker zijn en het vraagt een groter loopvermogen. Je moet veel meeschuiven, uitstappen. Dat gebeurt ook met 4:3:3, maar dat is wat makkelijker te organiseren. Toch is een systeem met vier middenvelders prachtig. Veel tegenstanders hebben er moeite mee. Als je de bal hebt, moet de tegenstander anticiperen waar de ruimtes liggen. Maar in welk systeem je ook speelt, het komt er toch op neer wie het meeste kwaliteit heeft en dominant is. Vanwege het niveau zijn we wat minder dominant dan afgelopen seizoen en anticiperen we meer. Dat is geen schande en daar leren we van.”

De start in de Topklasse kon niet beter. Dekkers en OJC startten met vijftien punten uit vijf duels. “Toen speelden we echt op de toppen van ons kunnen en de rest van de ploegen in de competitie was nog zoekende. Nu halen we incidenteel ons topniveau. Heb je een zwakkere dag, dan krijg je het lastig tegen iedereen. Veel ploegen zijn erg vast en als je vaster aan de bal bent, kun je tegenstanders eenvoudiger kapot spelen. Op een paar cruciale posities hebben we wat last van blessures, maar we zijn hard op weg om onszelf te handhaven.”

Werken in blokken

Dekkers zorgt dat hij het seizoen start met de verdedigende organisatie goed neer te zetten. “We werken al jaren in blokken, beginnend met de verdedigende organisatie. Dan is het voor nieuwe jongens makkelijk te zien wat we willen. Ook in balbezit tegenstander het makkelijkst te organiseren. We trainen met inzakken en de momenten van druk zetten. Na een week of vier, vijf kijken we of het goed staat. We nemen ook andere zaken mee, maar leggen duidelijk het accent op de verdedigende organisatie. In de wedstrijden kijken we vervolgens welke andere belangrijke zaken we moeten aanpassen.”

Conditioneel zit de ploeg de afgelopen jaren goed in elkaar. Over het algemeen weinig blessures en spelers die een seizoen lang fit zijn. “Het conditionele aspect is ook de kracht van deze ploeg. De afgelopen jaren hebben we gezien dat als je goed periodiseert dat je een fitte groep hebt na de winter. Het trainingsniveau is ook hoger als je voluit kunt trainen. We draaien ook altijd een sterkere tweede dan eerste seizoenshelft.”

“Maar de wedstrijden in de Topklasse hakken er wel in”, merkt Dekkers. “Op dinsdag trainen we wat rustiger. Wat positiespel, passen en trappen. Wel tactische aspecten, maar een wat lagere intensiteit. Donderdag is de voetbal conditionele training. We zijn van een zes weken cyclus naar een maandelijkse cyclus gegaan. In week één tot en met drie trainen we van elf tegen elf naar vier tegen vier en alles dat ertussen zit. En dan hebben we één neutrale week, echt het Verheijenmodel. Belangrijk is dat je naar je groep blijft kijken of ze het conditioneel volhouden. Op vrijdag staat maximaal plezier voorop. Dat is de derde training, het einde van de week. We ronden dan altijd af, ook met de verdedigers. Afsluitend spelen we een kort, scherp partijtje. Ze moeten met een lekker gevoel naar huis gaan.”

Toekomst

Vorig jaar was het nog maar de vraag of Dekkers ook dit jaar nog verantwoordelijk zou zijn voor het vlaggenschip van OJC. Na vijf jaar bij de club ging hij over zijn toekomst nadenken. De promotie naar de Topklasse kwam voor Dekkers en de club als geroepen. “Als je als trainer na vijf jaar de stap naar de Topklasse niet kunt maken, dan moet je misschien een stapje terugdoen. In de Topklasse worden we als spelers en staf uitgedaagd. De dynamiek van ontwikkelen is opnieuw begonnen. We moeten sneller dingen doorzien en de spelers ook. Dat geeft een nieuwe impuls.”

Graag zou Dekkers van zijn hobby zijn beroep willen maken. “Het zou geweldig zijn om er fulltime mee aan de slag te gaan. Bij een grote amateurclub, maar welke klasse maakt me niet uit. Als ik maar mogelijkheden zie. Daarnaast heb ik ook sterk de ambitie om naar het buitenland te gaan. Ik heb een achtergrond in het toerisme en wilde training geven altijd met reizen combineren in Amerika. Dat is wel in mijn achterhoofd blijven hangen. Een paar jaar pionieren in Australie, Amerika of Canada lijkt me wel wat.”

“Aanvallen wordt interessant als je kunt verdedigen” - Tonny Pijnappels, trainer Union B1

Waar veel trainers zweren bij aanvallend voetbal, daar legt Tonny Pijnappels (Union B1), de prioriteiten elders. Als team moet je goed verdedigen, de rest komt vanzelf. “In mijn visie is het aanleren en trainen van verdedigen belangrijker dan het trainen van de teamfunctie aanvallen.”

Tekst: Rogier Cuypers | Beeld: Gerrit van Keulen

Het trainersbloed begon bij Tonny Pijnappels op de middelbare school te stromen. Zelf was hij nog actief voetballer, maar een snuffelstage bracht hem met het trainersvak in aanraking. De E5 van SC Woezik was de eerste ploeg die hij trainde als assistent trainer. “Dat ben ik toen de rest van het seizoen blijven doen. Vervolgens ben ik daar ook zelfstandig de F- en E-jeugd gaan trainen. Ik kwam erachter dat ik training geven leuker vond dan zelf voetballen. Vandaar dat ik na de middelbare school het CIOS ben gaan doen en daar mijn TC III en TC II heb gehaald. Het trainersvak geeft veel voldoening. Een elftal begeleiden spreekt me aan en het is mooi om te zien als een bepaalde aanpak zijn vruchten afwerpt. Je ziet resultaat van eigen handelen. Een elftal aan de hand van jouw visie laten spelen is het mooie aan het trainersvak.”

B-junioren

En dus richtte Pijnappels zijn pijlen op het vak van trainer. Nu hij de B1 van Union onder zijn hoede heeft, merkt hij dat het trainen van die lichting hem beter bevalt dan het werken met jongere spelers. Toch is het niet altijd eenvoudig. “Wanneer je met de B-jeugd werkt, kan een tactische omzetting het verschil maken. Dat vind ik leuk en mooier dan zelf spelen. Talentvolle spelers beter maken werkt zo motiverend. Zeker wanneer ze een jaar of vijftien, zestien zijn. Dan kun je echt tactisch gaan werken en ze nog veel bijbrengen. Al blijft het ook een moeilijke leeftijdsgroep. Ze krijgen vriendinnetjes, willen weleens op stap of leggen de prioriteiten op school of ergens anders. Dat maakt het ook een interessante groep.”

“In het begin vond ik het ook leuk om spelers te trainen die wat minder talent hadden”, vervolgt hij. “Maar ik heb wel veel respect voor trainers die een D7 of C4 onder hun hoede hebben. Zelf zou ik het nu moeilijker vinden. Ik voel me er niet te goed voor, maar mijn drijfveer is om goede spelers nog beter te maken en ik weet hoeveel energie en geduld je moet hebben voor de respectievelijke lagere elftallen.”

Voorrang

Oud-profs met een schat aan spelerservaring komen vaak makkelijker aan de bak als trainer dan iemand die het normale trainerstraject doorlopen heeft. Pijnappels vindt het niet altijd terecht. “Inmiddels heb ik mijn UEFA C- en B-diploma’s. In het trainersvak zie je wel dat oud-profs voorrang krijgen. Ze hebben natuurlijk een hoop bagage als speler, maar het daadwerkelijke overbrengen op spelers en voor een groep staan zijn kwaliteiten die ook belangrijk zijn als trainer. De praktijk wijst uit dat trainers die versneld hun papieren halen het niet altijd ver hebben geschopt als trainer. Een ideale combi is zoals ik tijdens mijn stage bij Vitesse meemaakte. Dan staat er een trainer met de benodigde papieren en een voormalig prof op het trainingsveld. Zo heb je iemand die het geweldig kan overbrengen en een trainer met spelerservaring op het hoogste niveau.”

Pijnappels blijft zichzelf ontwikkelen als trainer. Constant met andere trainers sparren is daarin essentieel, vindt hij. “Om mezelf te ontwikkelen bezoek ik onder andere bijeenkomsten van de KNVB. Ook praat ik met vrienden die A- en een B-elftallen onder hun hoede hebben. Daarnaast heb ik nog contact met mensen waarmee ik heb samengewerkt bij SC Woezik, Vitesse en SC NEC. Ook bezoek ik lagere elftallen en lees vakbladen. Door van alles wat mee te pakken dat bij jou als trainer past, vorm je jouw eigen visie.” Nu Pijnappels een kijkje in de keuken heeft genomen bij onder meer Vitesse, merkt hij de verschillen tussen het prof- en het amateurvoetbal. Ook in de werkwijze als trainer/coach. “Het werken bij een BVO is heel anders. De focus ligt daar puur op het voetbal. Een dag voor de wedstrijd gaat daar niemand op stap of in de jeugd laat naar bed. Het draait ook echt om opleiden. Ze kijken verder dan een verlies. Bij de amateurs is winnen vaak toch belangrijker, mede door de bestuurlijke druk bij veel clubs. Vanuit mijn ambitie zou ik in de toekomst graag bij een BVO aan de slag gaan. Maar dat is niet voor veel trainers weggelegd. Als ik echter moet kiezen tussen een seniorenploeg of een jeugdteam bij de BVO, kies ik toch voor de senioren. Tactisch liggen daar meer mogelijkheden dan bij jeugdteams, juist dat vindt ik interessant.”

Visie op voetbal

In de jeugd heb je vaak als trainer meer vrijheid dan wanneer je een eerste elftal onder je hoede hebt. De club wil in een bepaalde speelwijze ten strijde trekken of spelers zijn gewend om in een bepaald systeem te spelen. Pijnappels vindt het leuk en belangrijk om te rouleren in de jeugd. “Ik vind het belangrijk om meerdere speelstijlen te spelen, zowel 1:4:4:2 als 1:4:3:3. Aanvallend of juist inzakken. Bij een BVO leren ze hoog druk zetten en verzorgd van achteruit op te bouwen. Maar als je de onderliggende partij bent, is het ook belangrijk dat je kunt inzakken en indien nodig de lange bal kunt hanteren. Het leren van een wedstrijd over de streep trekken is in mijn ogen ook opleiden. In mijn visie is het aanleren en trainen van verdedigen belangrijker dan het trainen van de teamfunctie aanvallen. Als je als ploeg compact staat en goed kan verdedigen, dan pas wordt aanvallen interessant.”

TRAINERS DIE VERSNELD HUN DIPLOMA HALEN, SLAGEN NIET ALTIJD

Het aanvalsspel erin slijpen, ongeacht of hij 1:4:3:3 of 1:4:4:2 speelt, probeert 23-jarige Pijnappels altijd op dezelfde manier. “De tactische training op het gebied van aanvallen gebeurt vanuit de ‘3’ en de ‘4’. Zij spelen de ‘10’ in en de ‘6’ en ‘8’ komen onderdoor. Als we 1:4:3:3 spelen dan kun je vervolgens de buitenspelers inspelen. In balbezit moet je wel een bepaalde mate van creativiteit hebben. Het is aan de trainer om de spelers handvatten mee te geven. Vervolgens is het aan de spelers om hier zelf met hun creativiteit mee aan de slag te gaan. Ik vind het dan ook belangrijk om spelers erbij te betrekken en zelf na te laten denken en met oplossingen te laten komen. Daardoor raken ze betrokken, creëer je draagvlak bij de ploeg en wordt het echt hun ding.”

Zoals eerder aangegeven is Pijnappels altijd druk bezig met zijn verdediging. Van daaruit zoekt hij de aanval. “Natuurlijk is een verzorgde opbouw belangrijk. De ‘9’ en de ‘10’ inspelen, zorgen dat de andere middenvelders er onder komen. Maar hoe staat de restverdediging? Ik probeer spelers ervan bewust te maken dat ze die vraag altijd in hun hoofd moeten hebben. Hoe staan we nu als we balverlies leiden, en hoe zorgen we ervoor dat we minder kwetsbaar worden? Bij balverlies probeer ik mijn team direct druk te laten zetten.

Dominant spelen

“Wanneer je dominant wil spelen vergt dat veel van een ploeg”, vervolgt hij. “Wanneer de linies niet op elkaar aansluiten, ontstaat er veel teveel ruimte. Ook verwacht ik van de keeper dat hij meevoetbalt, bijvoorbeeld bij een dieptepass van de tegenstander moet hij alert zijn. Als het niet mogelijk is om dominant te spelen, dan moet je soms inzakken en de momenten kiezen om georganiseerd druk te zetten. Ook dat hoort bij het opleiden en beter maken van spelers.’’

“Wanneer we met een man minder komen te staan, hangt het van de stand, tijd en tegenstander af hoe we daarop reageren”, vertelt Pijnappels wanneer hij in een ondertalsituatie terechtkomt. “Normaal zal ik 1:4:3:2 gaan spelen en iets meer inzakken en vanuit de omschakeling opereren. Maar het kan ook zijn dat als we bijvoorbeeld achter staan dat we met drie spelers achterin spelen en vol druk zetten. Helemaal als we de bovenliggende partij zijn. Dat is ook een mentale kwestie. Als je als team met een man minder speelt, krijg je vaak dat iedereen voor twee loopt. Dat kan een tegenstander aan het wankelen brengen.”

Visie op werkwijze

Hoe je als trainer omgaat met je spelers heeft volgens de oefenmeester invloed op wat je terugkrijgt van de groep. Een team smeden is dan ook belangrijk. “Je kunt als coach heel dictatoriaal zijn, maar bij Union spelen ze voor hun plezier. Daar hebben de spelers ook een privéleven. Ik keur het wel af als spelers op stap gaan of te laat naar bed gaan rondom wedstrijden. Ook moeten ze wel minimaal twee keer trainen om een basisplaats af te dwingen. Soms laat ik bewust de teugels een beetje vieren om wanneer het nodig is ze juist wat strakker aan te trekken. De ene keer een luchtige training, dan weer een tactische. Dat levert in mijn ogen het beste resultaat en meeste respect op. Bij een BVO werkt het heel anders. Spelers zijn zichzelf bewuster van waar ze mee bezig zijn. Veel gaat daar volgens het boekje, iedereen is erg punctueel en er wordt getraind volgens het periodiseringsmodel. Dat laatste doe ik zelf uiteraard ook alleen denk ik dat het bij een am
ateurvereniging belangrijk is om daar soms wat luchtiger in te zijn.’’

“Ik houd van een persoonlijke benadering. Iedereen is voor mij gelijk”, gaat hij verder. “Als ik een speler moet schorsen maakt dat niet uit of het de sterspeler is of iemand die vaak op de bank zit. Graag geef ik spelers de ruimte en krijgen ze de mogelijkheid om mee te denken. Het bewustwordingsproces van waar we eigenlijk mee bezig zijn vind ik erg belangrijk,’’

Pijnappels wil dat het team zich ontwikkelt, maar in de jeugd is het ook belangrijk dat spelers nog sterker worden in hetgeen ze al goed beheersen. “Natuurlijk is ook de persoonlijke ontwikkeling belangrijk en werk ik met POP-plannen. Ik vind dat je ook aandacht moet besteden aan de sterke punten van een speler. Dat zijn jouw unique selling points als speler. Bij Union geven we de spelers altijd drie verbeterpunten en één focuspunt. Uiteraard besteden we tijdens trainingen aandacht aan deze focuspunten. Dit doen we dan door spelers ruimte te geven om met hun focuspunten aan de slag te gaan of door ze tijdens de trainingen persoonlijke regels te geven die bijdragen aan het realiseren van deze focuspunten.

VAN DE BESTUURSTAFEL …

Artikel 17 Algemeen Reglement KNVB aangepast

Nadat zowel de Vergadering Amateur Voetbal als ook de Vergadering Betaald Voetbal akkoord waren gegaan met het aanpassen van Artikel 17, is op 2 december 2014 de aanpassing bekrachtigd door het Bondsbestuur van de KNVB. De ingangsdatum is 1 januari 2015. Zowel de VVON als ook de Coaches Betaald Voetbal (CBV) hadden bij de KNVB aangedrongen op het aanscherpen van Artikel 17. Dit mede naar aanleiding van enkele “stromanconstructies” in het amateurvoetbal en de gedoogsituatie bij FC Twente inzake de constructie (Alfred Schreuder/ Michel Janssen) in het afgelopen seizoen.

Wat zijn de twee belangrijkste aanpassingen?

Op de eerste plaats wordt nu beter en nauwkeuriger omschreven wat wordt verstaan onder de hoofdtrainer/coach van een team. Van belang is dat nu ook het verrichten van media-activiteiten tot de hoofdtaak van de hoofdtrainer wordt gerekend.

De letterlijke tekst van Artikel 17, lid 1 luidt als volgt:

De hoofdtrainer/coach van een team is de persoon die:

a. de wedstrijdselectie samenstelt, de wedstrijdtactiek bepaalt en het team en/of de wedstrijdselectie traint in fysiek, technisch en tactisch opzicht;
b. het team en/of de wedstrijdselectie voor, tijdens en/of na trainingen en wedstrijden coacht;
c. de andere leden van de technische staf voor, tijdens en/of na trainingen en wedstrijden instrueert; en/of
d. media-activiteiten verricht met betrekking tot het team.

Op de tweede plaats wordt ook de rol en bevoegdheid van de assistent duidelijk verwoord. De hoofdtrainer/coach mag zich laten ondersteunen door één of meerdere assistenten. Echter deze assistenten mogen niet geheel zelfstandig en/of volledig de werkzaamheden, die toebehoren aan de hoofdtrainer/coach, overnemen. Daarnaast dienen deze assistenten te beschikken over een geldige trainerslicentie die de bevoegdheid geeft om als hoofdtrainer/coach werkzaam te zijn op minimaal het naast lagere niveau als waarop wordt opgetreden als assistent. Dus wanneer iemand als assistent optreedt voor een hoofdtrainer/coach in de topklasse of de hoofdklasse, dan dient deze assistent te beschikken over minimaal een geldige UEFA B-licentie. Een assistent in de 4e of 5e klasse dient dus te beschikken over dezelfde licentie als de hoofdtrainer/coach (UEFA C).

De letterlijke tekst van Artikel 17, lid 2c luidt als volgt:

a. De hoofdtrainer/coach kan zich bij de uitvoering van zijn werkzaamheden als bedoeld in lid 1 onder i. en ii. van dit artikel laten ondersteunen door een of meer assistent trainer/coaches, in die zin dat de hoofdtrainer/coach deze werkzaamheden niet volledig zelfstandig behoeft uit te voeren. Deze assistent trainer/coaches dienen in het bezit te zijn van een door het bondsbestuur verstrekte geldige trainerslicentie die de bevoegdheid geeft tot het als hoofdtrainer/ coach werkzaam zijn voor het betreffende team, dan wel de naast lagere trainerslicentie als genoemd in lid 4 of lid 5 van dit artikel.

Hoewel wij als VVON de inhoud van Artikel 17 nog wel wat verder hadden willen aanscherpen, zijn wij voor dit moment tevreden met de aanpassingen. De toekomst zal moeten uitwijzen of de KNVB nu wel in staat en bereid is om (via de tuchtorganen) onbevoegd trainen adequaat aan te pakken en te bestraffen. Uiteraard zullen wij de ontwikkelingen nauwgezet volgen. Op onze website kunt u de volledige tekst van Artikel 17 terugvinden.

Wet Werk en Zekerheid (WWZ)

Regelmatig worden mij vragen gesteld over wat wel of niet is toegestaan op het moment dat een trainer/coach en het bestuur van de voetbalwerkgever in gesprek zijn over een eventuele minnelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Het is algemeen bekend dat het aantal voetbalverenigingen dat een vacature heeft voor een trainer/coach kleiner is dan het aantal trainer/coaches dat zich op die “markt” aanbiedt. Desondanks blijkt er vraag naar de trainercoaches die verkeren in de voortijdige afwikkeling van de arbeidsovereenkomst.

Tekst: R. Beele | Beeld: Shutterstock

Als eenmaal overeenstemming is bereikt over de voorwaarden waaronder de arbeidsovereenkomst voortijdig wordt beëindigd, wordt in de daartoe gesloten vaststellingsovereenkomst doorgaans opgenomen dat partijen niets meer van elkaar te vorderen hebben nadat de in de vaststellingsovereenkomst opgenomen verplichtingen zijn nagekomen. Veelal betreft dit onder meer de betaling van een bepaald bedrag door de voetbalwerkgever aan de trainer/coach.

Indien na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst een vereniging contact opneemt met de trainer/coach met de vraag of hij beschikbaar is voor het verrichten van werkzaamheden, staat het de trainer/coach vrij om met de nieuwe vereniging in gesprek te gaan. Als het gesprek zou leiden tot een aanbod dat de trainer-coach bereid is te aanvaarden, dan zal een nieuwe arbeidsovereenkomst ontstaan. De voor die tijd afgewikkelde (oude) arbeidsovereenkomst doet dan niet meer ter zake.

Voortijdige afwikkeling

Een variant op het voorgaande ontstaat als de nieuwe vereniging contact opneemt met de trainer/coach op het moment dat hij in gesprek is met de bestaande voetbalwerkgever over de voortijdige afwikkeling van de arbeidsovereenkomst. Dat gesprek heeft meestal ook betrekking op de vergoeding die daarbij wordt geboden. Uiteraard staat het eenieder vrij om met wie dan ook te spreken. De vraag is of het verstandig is om met een eventueel nieuwe voetbalwerkgever in gesprek te gaan als met de bestaande werkgever nog geen overeenstemming is bereikt over de voorwaarden waaronder de arbeidsovereenkomst voortijdig zal worden beëindigd. Dat geldt in het bijzonder als de bestaande voetbalwerkgever is gevestigd op korte afstand van de mogelijk nieuwe voetbalwerkgever of als deze in dezelfde competitie speelt, of indien anderszins een vorm van ‘nabijheid’ blijkt te bestaan.

Recent is mij gebleken dat van ‘nabijheid’ al sprake kan zijn als een toevallig aanwezige journalist als vader op een avond een training van zijn zoon bezoekt van vereniging Y en hij daar na de training een bepaalde trainer/coach, die niet aan die vereniging verbonden is, de bestuurskamer in ziet gaan. Er kan sprake zijn geweest van louter toeval of (slechts) een kennismaking. Hoe dan ook, de bestaande werkgever (vereniging X) van de trainer/coach wist de volgende dag van diens bezoek aan vereniging Y.

De gesprekken over een eventuele vergoeding werden abrupt afgebroken met de mededeling dat er al sprake was van onderhandelingen over een arbeidsovereenkomst bij voetbalvereniging Y. Voor een vergoeding bestond volgens vereniging X dan ook geen aanleiding. De trainer/coach probeerde aan te geven dat het gesprek met vereniging Y een oriëntatie was geweest, maar het mocht niet baten. Pas nadat het bestuur van vereniging Y had verklaard dat het alleen om een oriënterend gesprek was gegaan, was het bestuur van vereniging X bereid om het gesprek over een eventuele vergoeding te heropenen. Uiteraard was het niet verstandig dat de trainer/coach had ingestemd met een bespreking op de locatie van vereniging Y. Dat is solliciteren naar problemen. Als hij al zou hebben ingestemd met een bespreking had de trainer/coach er verstandig aan gedaan om daarvoor een neutrale locatie te kiezen. Het zou wellicht nog verstandiger zijn geweest om het ‘oriënterende’ gesprek telefonisch te doen.

Complexer

Het wordt nog complexer als gesprekken over de voortijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst met een bestaande voetbalwerkgever min of meer gelijktijdig met sollicitatiegesprekken met een mogelijk nieuwe voetbalwerkgever worden gevoerd. Een trainer/coach had niets gemeld over gesprekken met vereniging B op het moment dat hij met vereniging A overeenstemming bereikte over een vergoeding vanwege de voortijdige beëindiging van de arbeidsverhouding. Hoewel de trainer/coach nadrukkelijk aan het bestuur van vereniging B had aangegeven nog enige tijd te wachten met het publiceren van het bericht dat zij voor het nieuwe seizoen overeenstemming met de trainer/coach had bereikt, verscheen al kort na de laatste bespreking met vereniging B een bericht op haar website over de nieuwe verbintenis. Op dat moment moest de vaststellingsovereenkomst van de trainer/coach met vereniging A nog voor akkoord worden ondertekend.

Het bestuur van vereniging A was ontstemd over de manier waarop de trainer/coach volgens haar had gehandeld. Vereniging A weigerde dan ook de vaststellingsovereenkomst te ondertekenen. In het verlengde daarvan weigerde zij de overeengekomen vergoeding aan de trainer/coach te betalen. Het heeft enige moeite gekost om vereniging A te overtuigen van haar ongelijk. Uit e-mailberichten tussen de trainer/coach en vereniging A was af te leiden dat partijen al drie weken voorafgaand het akkoord tussen de trainer/coach en vereniging B tot overeenstemming waren gekomen over de hoogte van een beëindigingsvergoeding. Dat de vaststellingsovereenkomst pas geruime tijd nadien kon worden ondertekend had te maken met de afwezigheid van twee bestuursleden. Zij verbleven in die periode in het buitenland. Uiteindelijk is de overeengekomen vergoeding alsnog betaald.

Concreet uitzicht

Alle hiervoor gegeven voorbeelden tonen aan dat als gesprekken met een nieuwe voetbalwerkgever worden gevoerd op het moment dat voortijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst met de bestaande werkgever nog niet is afgerond, tot problemen kunnen leiden. Zoals gezegd: het gaat om arbeidsovereenkomsten die op initiatief van de bestaande werkgever (voortijdig) worden beëindigd. In de rechtspraak wordt een criterium aangehouden dat inhoudt dat er geen sprake moet zijn van een concreet uitzicht op nieuw werk op het moment dat gesprekken over een beëindigingsvergoeding worden gevoerd. Als er wel sprake is van een concreet uitzicht behoort de werknemer daarvan melding te maken.

Wijziging

Met de invoering van de Wet Werk en Zekerheid (WWZ) op 1 juli 2015 zal een aanzienlijke wijziging intreden. Dat betreft onder meer het navolgende. In beginsel bepaalt vanaf die datum de WWZ de hoogte van de vergoeding. Als een arbeidsovereenkomst (voor bepaalde tijd of voor onbepaalde tijd) ten minste 24 maanden heeft geduurd en de arbeidsovereenkomst: (a) óf door de werkgever wordt opgezegd, (b) óf op verzoek van de werkgever wordt ontbonden, (c) óf na het einde van rechtswege op initiatief van de werkgever niet aansluitend wordt voortgezet, dan is de werkgever gedurende de eerste tien jaar een “transitievergoeding” verschuldigd van 1/6 keer het maandloon voor elke periode van zes maanden dat de arbeidsovereenkomst heeft geduurd. De bijzonderheden, zoals de overgangsregelingen en de uitzonderingen laat ik in het kader van deze bijdrage buiten beschouwing.

De kantonrechter (lees: de Arbitragecommissie van de KNVB) kan, als een verzoek van de (voetbal)werkgever wordt ingewilligd om de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd of voor bepaalde tijd met tussentijds opzegbeding te ontbinden, aan de werknemer een billijke vergoeding toekennen indien de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever ([WWZ] art. 7:671b lid 8 sub c BW). Het voorgaande is op dezelfde grond ook mogelijk als de kantonrechter besluit op verzoek van de werknemer (lees: de trainer/coach) de arbeidsovereenkomst te ontbinden.

([WWZ] art. 7:671c lid 2 sub b BW). In [WWZ] art 7:673 lid 9 BW is tenslotte bepaald dat ook na het einde van rechtswege, het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, de kantonrechter naast de transitievergoeding een billijke vergoeding kan toekennen. Dat kan ook als de werknemer korter dan 24 maanden in dienst is geweest. Echter, zoals altijd zullen ‘de omstandigheden van het geval’ bepalend zijn voor de beslissing die de kantonrechter zal nemen.

Spelers op jacht naar persoonlijke plafond - Jeugdbeleid PSV: leren door te ervaren

De VVON organiseerde op donderdag 11 december 2014 een zeer unieke studiedag bij PSV. Gedurende deze dag werden 80 deelnemers in kleine groepen bijgeschoold over het opleiden van jeugdspelers in diverse leeftijdscategorieën. De trainers konden een kijkje nemen in de keuken van PSV door trainingen te bekijken, met de jeugdtrainers van de Eindhovenaren te sparren en uit de mond van Art Langeler te horen hoe hij als hoofd opleiding beleid maakt. “Wij willen spelers ouder dan zestien jaar in de toekomst een betaald voetbalgarantie geven.”

Tekst & Beeld: Twan Epe

De eredivisie is een kweekvijver van talent. Zo stond de Nederlandse competitie in het buitenland lang bekend als een ideaal podium om door te stoten richting de Europese top. Spelers als Zlatan Ibrahimović en Luis Suárez kwamen als onbekende talenten naar ons land en verdienden uiteindelijk een transfer naar een topclub, om vervolgens uit te groeien tot één van de grootste spelers van de wereld. De laatste jaren breken er nog steeds veel talentvolle spelers door op het hoogste niveau, maar nu zijn het vooral jonge jongens die door de clubs zelf zijn opgeleid. Ajax, Feyenoord en PSV spannen de kroon door talenten op te leiden en ze vervolgens als kapitaal te verkopen aan de Europese top. Volgens Art Langeler, hoofd jeugdopleiding bij PSV, is dit niet alleen de charme van de eredivisie, maar vooral een gedwongen keuze: “Europese topspelers die tussen de 25 en 30 jaar oud zijn, komen niet meer naar Nederland. Dat dwingt ons goed op te leiden.”

Plafond opzoeken

“Daarnaast gaan spelers steeds vroeger naar het buitenland. Het is dus heel belangrijk om talentvolle spelers al op jonge leeftijd klaar te maken om hun plafond te bereiken”, is Langeler van mening. Om het niveau in het gehele betaald voetbal naar een hoger plan te brengen, wil Langeler niet alleen spelers opleiden voor het eerste elftal van PSV. Hij vindt dat clubs hun opleiding breder moeten trekken door ervoor te zorgen dat iedere speler zijn eigen plafond kan aantikken. “Wij willen alle jeugdspelers die ouder zijn dan zestien jaar een betaald voetbalgarantie geven”, is de hoofd opleiding van PSV ambitieus. “Niet alle spelers halen het eerste van PSV, maar dan kan het plafond van een speler nog wel bij Willem II of FC Eindhoven liggen. Daarom werken wij in de onderbouw met een nieuw traject: FUNdament. Dat is een basisopleiding tot profvoetballer voor kinderen van acht en negen jaar, die gedurende vier jaar trainen en spelen bij een locatie bij PSV, Willem II, Helmond Sport, VVV-Venlo of Lommel United. De spelers kunnen in die vier jaar niet uitstromen op voetbalkwaliteiten en gaan daarna naar de club van hun niveau.”

Leren en ervaren

PSV spreekt bij het opleiden van spelers dan ook van twee pijlers, die de missie van de jeugdopleiding typeren. “Wij zijn één opleiding, met als doel om de beste spelers op te leiden voor het eerste elftal van PSV, maar daar tegenover staat dat we de talenten die TRAINERSDAG PSV De VVON organiseerde op donderdag 11 december 2014 een zeer unieke studiedag bij PSV. Gedurende deze dag werden 80 deelnemers in kleine groepen bijgeschoold over het opleiden van jeugdspelers in diverse leeftijdscategorieën. De trainers konden een kijkje nemen in de keuken van PSV door trainingen te bekijken, met de jeugdtrainers van de Eindhovenaren te sparren en uit de mond van Art Langeler te horen hoe hij als hoofd opleiding beleid maakt. “Wij willen spelers ouder dan zestien jaar in de toekomst een betaald voetbalgarantie geven.” Tekst & Beeld: Twan Epe Spelers op jacht naar persoonlijke plafond Jeugdbeleid PSV: leren door te ervaren dat niveau niet halen, willen klaarstomen voor een betaald voetbalclub op een ander niveau”, vervolgt Langeler, die een aantal speerpunten onder deze pijlers heeft gehangen om talentvolle spelers optimaal te begeleiden. “Het eerste punt is dat het proces altijd boven het product staat. Het gaat ons niet om kampioen worden, dus als een linker centrale verdediger alles met links doet en zijn rechterbeen moet verbeteren, kan het zijn dat we hem rechtsback zetten. Zo wordt hij gedwongen om met rechts te handelen, maar kan het ook zijn dat hij fouten gaat maken, waardoor de ploeg op de ranglijst zakt. De spelers moeten altijd willen winnen en voor de titel willen gaan, maar de trainers moeten ervoor zorgen dat de ontwikkeling van het individu centraal staat.”

“Daarnaast hechten wij veel waarde aan ervaringsleren: in de leeftijdsfase van twaalf tot zeventien jaar zeggen de trainers niet veel voor. De spelers moeten zelf ervaringen opdoen om ervan te leren. Zo speelde het O13-elftal vorig seizoen thuis tegen FC Den Bosch en was de ruststand 0-0. De ploeg speelde met vier aanvallend ingestelde spelers en de trainer vroeg in de rust aan de jongens wat er moest gebeuren om op voorsprong te komen. De spelers waren van mening dat er een vijfde aanvallend ingestelde speler bij moest komen. Het gevolg was dat het hierdoor in de tweede helft te druk werd voor het doel van FC Den Bosch en de ploeg er niet doorkwam. Uit een counter sloeg FC Den Bosch toe en het O13-elftal verloor de wedstrijd dan ook met 0-1. De trainer liet de wedstrijd bewust ‘lopen’, omdat de spelers een niet te missen ervaring konden opdoen”, vervolgt Langeler. “Zijn werk begon dan ook pas na de wedstrijd door aan de spelers te vragen wat hun keuze voor gevolg had en wat ze ervan kunnen leren voor een volgende keer. Wij vinden het dus belangrijk om spelers gedeelde verantwoordelijkheid te geven.”

Leren in drie fases

Deze ‘bouwstenen’ worden per leeftijdsgroep anders ingedeeld. PSV maakt onderscheid in drie fases – om de spelers stapsgewijs te ontwikkelen – door naar de kenmerken per leeftijdscategorie te kijken. De eerste fase is de basisschoolleeftijd. “Tot de O13 moeten de spelers vooral leren door te spelen en in de eigen omgeving voetballen. Dat is dan ook de reden dat wij voor deze groep FUNdament zijn gestart. Hier starten we al met de basisbeginselen van het zelfsturend vermogen, maar worden de spelers vooral uitgedaagd om zichzelf te ontwikkelen door op ontdekkingstocht te gaan. We halen de druk eraf door niet met een ranglijst te werken, maar puur het voetballen centraal te stellen”, aldus Langeler. “De volgende fase is de voortgezet onderwijsleeftijd bij de O14 tot de O17. In deze leeftijdsgroep wordt er op een democratische manier getraind, dus leren door ervaringen op te doen. Daarna komt pas de prestatiegerichte trainer om de hoek kijken bij de O19 en Jong PSV. Dan staat spelen om te winnen voor het eerst écht centraal. Zo krijgen de spelers stapsgewijs de kans om hun eigen plafond op te zoeken.”

Spelers moeten continu geprikkeld worden - Jong PSV: Ontwikkeling boven teamprestatie

PSV wil zo veel mogelijk spelers vanuit de jeugdopleiding laten doorstromen naar het vlaggenschip van de club: het eerste elftal. Om die reden is het gewenst dat spelers wedstrijden op een zo hoog mogelijk niveau spelen en dat ze voortdurend worden uitgedaagd en geprikkeld om het maximale uit zichzelf te halen. De Eindhovenaren zijn daarom in hun nopjes dat het beloftenteam deel mag nemen aan de Jupiler League. “De ontwikkeling van mijn spelers gaat voor de prestaties van het team. Dat is soms lastig, omdat je als trainer altijd wilt winnen.”

Tekst: Jeroen Bolk, beeld: Twan Epe

De ontwikkeling staat centraal bij PSV. En dus moet de in Zwitserland geboren hoofdtrainer Darije Kalezić, die als trainer De Graafschap, Zulte Waregem en Stockport County FC op zijn CV heeft staan, soms keuzes maken die op de lange termijn weliswaar goed zijn voor de ontwikkeling van een speler, maar op de korte termijn niet voor de prestaties van zijn ploeg. “De ontwikkeling van mijn spelers gaat voor de prestaties van het team. Dat is voor een trainer lastig, omdat je altijd wilt winnen. Maar dat is het beleid van de club en dat wist ik toen ik hier kwam. Vorig seizoen pakten we als eerste beloftenteam een periodetitel. Voor de spelers en de staf was dat toch leuk om mee te maken, ondanks dat het niet ons hoofddoel is om prijzen te pakken met Jong PSV”, legt Kalezić uit.

Creativiteit

De trainer laat zijn spelers ten strijde trekken in het 1:4:3:3-systeem, waarin met de punt naar achteren en met twee aanvallende middenvelders wordt gespeeld. “Op die manier hopen we kansen vooral via de zijkanten te creëren. Daarom gebruiken we veel oefenvormen waarbij via de zijkanten wordt opgebouwd en uiteindelijk de spitsen in stelling worden gebracht. Bij PSV vinden we het belangrijk dat spelers creatief zijn. Ze moeten weten wat er in een bepaalde situatie van hen wordt gevraagd. Dat geldt ook voor spelers die even op een andere plek staan in een wedstrijd. Ik vind dat we in Nederland te eenzijdig opleiden. Spelers moeten weten hoe teamgenoten, maar ook tegenstanders, op verschillende posities denken. Dat mis ik nog wel eens. Daarom rouleren wij veel tijdens de trainingen. Spelers krijgen daar een prikkel van in de hersenen en daardoor zullen zij in onbekende situaties beter in staat zijn een oplossing te vinden.”

Belasting

Het beloftenteam van PSV speelt sinds het seizoen 2013/2014 vaak tegen oudere, ervarener en fysiek sterkere tegenstanders. Fysiek wordt er daardoor veel van de jongelingen gevraagd. “Daarom is het belangrijk dat de belasting van de spelers goed wordt verdeeld. Daarvoor gebruiken wij een vier weeks periodiseringsmodel, waardoor spelers een optimaal trainingsresultaat behalen. Dat model stellen we per speler op maat op, zodat iedere speler zich het beste kan ontwikkelen. Het is daarnaast belangrijk dat jonge spelers ervaren spelers om zich heen hebben, die hen tips kunnen geven. Dat kan bij ons niet tijdens wedstrijden, maar PSV is er wel mee bezig om oud-spelers, zoals Mark van Bommel, daarin een rol te geven.”

Inspelen op verantwoordelijkheidsgevoel - PSV O19: veel persoonlijke aandacht

De jeugdspelers worden bij PSV uitgedaagd om verantwoordelijkheid te nemen en dat uit zich bij het O19- elftal vooral in het feit dat iedere voetballer verantwoordelijk wordt gehouden voor zijn eigen ontwikkeling. In samenspraak met de trainers wordt een Persoonlijk Ontwikkelingsplan (POP) samengesteld, zodat de ontwikkelpunten van de spelers teruggebracht kunnen worden in de trainingen. “De spelers moeten zelf naar de trainer komen om een plan te maken.”

Tekst: Jeroen Bolk, beeld: Twan Epe

Pascal Jansen is hoofdtrainer van PSV O19, maar prijst zich gelukkig dat hij over veel assistenten kan beschikken. André Ooijer is zijn rechterhand, maar ook andere oudPSV’ers, zoals Mark van Bommel en Luc Nilis, laten zich geregeld op het trainingsveld zien. “Wij werken bewust met een hoofdtrainer die pedagogisch goed onderlegd is en hij wordt ondersteund door ex-profvoetballers die de geheimen van het betaalde voetbal kennen”, legt Art Langeler, hoofd jeugdopleiding van PSV, uit. “Door met meerdere trainers op het veld te staan, kunnen de coaches een aantal spelers de gehele training extra aandacht geven”, voegt Jansen aan de woorden van Langeler toe. “Het is natuurlijk prachtig voor onze middenvelders dat ze tips krijgen van Mark van Bommel. Hij is een ervaringsdeskundige, die de spelers bij hun persoonlijke ontwikkelpunten kan helpen.”

Begeleidend coachen

Uit de POP-gesprekken komen per speler een aantal ontwikkelpunten naar voren. “Elke speler is in deze leeftijdscategorie verantwoordelijk voor zijn eigen ontwikkeling en er wordt dan ook van hun verwacht dat ze zelf naar de trainer stappen om een POP-gesprek te voeren”, zegt Ooijer. “Wij leggen dus veel verantwoordelijkheid bij de spelers zelf neer. Daarnaast lopen er altijd meerdere trainers op het veld, die continu aan te schieten zijn voor advies. Individueel trainen kan namelijk ook door een aantal spelers in een partijspel begeleidend te coachen op een bepaald accent. Als de middenvelders meer variatie in hun spel willen aanbrengen, moeten ze continu in beweging zijn en dat proces kunnen onze trainers bevorderen door in een partijspel begeleidend te coachen.”

Niet altijd stilleggen

De vaste formatie van O19 is 1:4:3:3, met de punt naar achteren op het middenveld. Ook in de uitvoering van de speelwijze worden de spelers uitgedaagd om zelf initiatief te nemen. “We willen bijvoorbeeld dat onze middenvelders continu in beweging zijn en onderwerpen ze niet aan vaste patronen. Er wordt bij PSV gewerkt vanuit een cyclus en elke week halen we er een vast accent uit om de spelers heel specifiek te trainen”, vertelt Jansen. “Stel dat aanvallen het hoofdmoment is, dan kan het accent zijn ‘keuzes maken in de diepte door de middenvelders.’ Ons weekritme wordt niet afgestemd op de komende wedstrijd; wel houden we rekening met de belastbaarheid van de trainingen rondom onze wedstrijden. Alleen tijdens de teamtactische training leg ik veel stil, maar tijdens de andere oefenvormen willen we de dynamiek erin houden. Dan coachen we meer begeleidend, zodat elke trainer een aantal spelers kan coachen vanuit zijn eigen kennis.”

 

Ideale topsportomgeving bieden - PSV 013: Verantwoordelijkheid bij spelers, club en omgeving

Bij de onderbouw legt PSV de verantwoordelijkheid deels bij de spelers en hun omgeving. Daarnaast neemt de club zelf haar verantwoordelijkheid. De spelers zijn immers vijftien tot twintig uur per week op De Herdgang. De club vindt het belangrijk dat hun pupillen in een veilige omgeving aan hun toekomst kunnen werken. “We willen daarmee realiseren dat ze geen zorgen aan hun hoofd hebben, hier met een goed gevoel komen en ook weer met een lach op het gezicht naar huis gaan.”

Tekst: Jeroen Bolk, beeld: Twan Epe

Hoofd Jeugdopleidingen Art Langeler vindt het belangrijk dat spelers zelf bij hun toegewezen mentor aangeven waar zij zich in willen verbeteren. De trainers sturen de spelers uit de onderbouw daar nog iets in, waarna vervolgens samen een aantal actiepunten wordt opgesteld. “Daarna worden iedere week twee a drie momenten ingelast, waarbij individueel of in een klein groepje iedere keer een aantal actiepunten wordt behandeld”, legt Langeler uit. Zo werkten tijdens de studiedag onder andere twee talentvolle aanvallers aan hun afwerking, terwijl een ander duo met hun traptechniek en aanname bezig was.

Actiepunten

“Bij een centrale verdediger kan je denken aan de actiepunten passen met het zwakke been, het verwerken van de bal, verdedigend of aanvallend koppen en fysieke voorwaarden creëren om handelingen te kunnen uitvoeren. Dat zijn zomaar vier actiepunten, die een speler kan opstellen. De ene week ligt het accent tijdens de individuele training op het ene actiepunt, terwijl de andere keer meer aan een ander actiepunt wordt gewerkt. We proberen de verschillende actiepunten ook aan elkaar te koppelen. Als een back beter wil worden in de een tegen een-situatie en je hebt een aanvaller die moeite heeft met een passeeractie in die situatie, dan brengen we dat samen. Als je er dan nog een keeper bij kunt zetten, dan is het bingo. Dan werk je namelijk met drie spelers door middel van een oefening aan drie verschillende actiepunten.”

Ouders

PSV vindt het daarnaast belangrijk dat ouders inzicht krijgen in hetgeen hun kind zoal op De Herdgang uitvoert. De club organiseert daarom regelmatig demonstratietrainingen. “Dan zien zij waar wij met hun kind mee bezig zijn en zien ze ook de achterliggende gedachte. Daar gaan we achteraf ook graag met hen over in gesprek om een en ander toe te lichten. Op die manier willen we ze laten zien dat hun kind in goede handen is.”

School

Uiteraard vindt Langeler dat de spelers ook goed moeten presteren op school. Dit is van belang voor hun ontwikkeling en draagt bij aan een positieve gemoedstoestand. Ook op dat gebied is PSV continu op zoek naar verbeteringen. “We zijn met een middelbare school in Eindhoven bezig om een opleiding neer te zetten waar voetbal en school nog meer verbonden zijn en waar iedereen als doel heeft dat de spelers zowel op school als in het voetbal hun plafond bereiken. We lopen wat dat betreft wel iets achter ten opzichte van andere grote clubs, maar ik heb goede hoop dat dit goed gaat komen.”

PARIJS? - collumn

De recente aanslagen in Parijs maken de kloof tussen, wat gemakshalve autochtone en allochtonen wordt genoemd, fors groter. Terroristische idioten trachten bewust een grote dosis angst te zaaien in de westerse en dus ook onze Nederlandse samenleving. Als dit blad verschijnt, is er misschien al wel weer iets gebeurd wat tot meer dan grote opwinding leidt. Onze maatschappij is de laatste decennia ingrijpend gewijzigd. Het begrip ‘Nederlander’ is niet zo gemakkelijk meer te definiëren. In kantines, op verjaardagen, aan de borreltafel en bar worden “buitenlanders” vaak op een hoop gegooid en ook veelal met de grond gelijk gemaakt.

Is dat terecht? Ik denk het niet.

Mij wordt vaak een grenzeloze naïviteit verweten als ik betoog dat het er niet om gaat hoe ze heten of eruitzien, maar hoe ze zich in onze samenleving gedragen. Ik steek mijn kop in het zand, want van die buitenlanders moet je er niet al te veel hebben, zegt men vaak. Het begrip ‘Nederlander’ is echter al lang niet meer voorbehouden aan Jantje of Pietje, maar ook aan Khalid en Ahmed. Die laatsten zijn ook gewoon in dit land geboren. De sportwereld maakt graag gebruik van getalenteerde sporters die zich uit een andere cultuur, religie en afkomst in Nederland hebben gevestigd. Daar pronken we volop en zonder gêne mee. Zonder een spoor van overdrijving kan worden gesteld, dat door de inbreng van al die kleurrijke Nederlanders ons land volop op de sportieve kaart is gezet. Zou het Nederlandse elftal zonder de inbreng van al die iets meer gekleurde sporters ook zo hoog op de internationale ranglijst staan?

Ik waag het sterk te betwijfelen. En waar leg je de grens? Wie mag zich wel Nederlander noemen en wie niet? Zijn Frank Rijkaard en Ruud Gullit originele Nederlanders? Zijn Memphis Depay en Karim Rekik dan buitenlanders?

Dat soort discussies is aan mij niet besteed. Bijna elke voetbalvereniging heeft wel te maken met een groot aantal allochtonen en in de meest gevallen levert dat geen problemen op. Vaak hebben ze er volop profijt van. Maar juist die gevallen die niet mee willen doen, die leveren een enorme stof tot discussie op en in de slipstream worden de goedwillenden dan meegezogen en meegenomen in de be- en veroordelingen.

Ik heb vooralsnog geen pasklare oplossing voor dit soort problemen, maar weet wel dat het verdelen van onze samenleving in binnen- en buitenlanders niet de weg is die we moeten opgaan. In een land waar de grenzen weer dicht gaan en de muren rondom dit land hoog worden opgetrokken, wil ik niet leven.

We moeten accepteren dat er naast kerken en synagogen ook moskeeën staan.

Hans Bijvank