Geplaatst op 24 april 2017

Jaargang 24 – nr 2 – april 2015

Van de voorzitter

De vorige keer heb ik u gemeld dat Artikel 17 is aangepast. In dit artikel staat onder meer aangegeven welke bevoegdheden (licenties) behoren bij welk niveau (klasse) en welke taken onlosmakelijk zijn verbonden met de functie van Hoofdtrainer/coach. De aanpassing van dit KNVB-reglement is gedaan om, beter dan voorheen, de strijd te kunnen aanbinden tegen het onbevoegd trainen en coachen.

In de media hebt u wellicht gelezen dat wij als VVON de KNVB hebben gevraagd op te treden tegen onbevoegde situaties bij DOVO, Kozakken Boys en RVVH. Naar mening van de VVON is er bij deze clubs sprake van een situatie waarbij Artikel 17 wordt overtreden. Hoewel mijn vingers kriebelen om nu al te reageren op de wijze waarop de KNVB tot dusver is omgegaan met deze meldingen inzake de 3 genoemde clubs, doe ik dat nog niet. Maar mocht het zo zijn dat de KNVB haar eigen opgeleide Trainercoaches niet serieus neemt, dan beloof ik u dat wij als VVON bestuur op korte termijn volledig openheid van zaken zullen geven. Voor ons is de maat, voor wat betreft onbevoegd trainen, meer dan vol.

In de afgelopen 3 maanden zijn via de diverse VVON studiebijeenkomsten ruim 700 trainers bijgeschoold. Een groot compliment voor onze mensen in de VVON districten die weer veel tijd en energie hebben gestoken in het organiseren van deze bijeenkomsten. Ook het feit dat zowel amateurverenigingen als ook BVO’s graag meewerken aan het delen van hun kennis is van grote waarde en wordt door ons en de deelnemers zeer gewaardeerd.

De keuze voor een trainer om lid te worden van de VVON is voor iedereen anders. Een belangrijk argument zou kunnen zijn de hulp en ondersteuning die wij als VVON bieden wanneer je als trainer in conflict komt met je club. Kort geleden ontvingen wij een brief van een tevreden lid. Een mooi compliment voor onze organisatie en Mr. Ruud Beele. Ik citeer een deel van de brief.

“Heel graag wil ik de VVON bedanken voor de steun die ze heeft gegeven en/of mogelijk heeft gemaakt. Met name de inzet van de heer Beele is van grote waarde geweest. Niet alleen juridisch, maar ook op persoonlijk vlak heeft hij een grote bijdrage gehad in het verwerken van de vervelende ervaring. Ik raad iedere trainer aan om lid te worden van de VVON! In goede tijden is het een mooie plek om kennis te ontwikkelen, maar in slechte tijden is het een plek die vooral rust kan bieden. Zonder jullie faciliteit en de inzet van de heer Beele had ik niet geweten hoe ik had moeten omgaan met de situatie. Eigenlijk hoop ik jullie niet meer nodig te hebben, maar als het dan toch nodig is zal ik geen seconde twijfelen en de deskundigheid die jullie bieden direct omarmen.”

Op vrijdag 15 mei 2015 wordt voor de 13e keer het Nederlands Trainerscongres georganiseerd. Net als vorig jaar is het stadion van PEC Zwolle de plaats van handeling. Op deze dag uiteraard ook de uitreiking van de Rinus Michels Awards. Wie wordt de opvolger van Simon Quaali als beste amateurtrainer seizoen 2014/2015? Verderop in dit magazine meer over de genomineerde amateurtrainers en het programma. Om u op te geven gaat u naar www.vvon.nl. Daar vindt u ook het meest actuele programma en alle verdere informatie over het congres.

Ik hoop u op vrijdag 15 mei te mogen begroeten op het Trainerscongres te Zwolle.

 

“Spelers hoeven niet met smoesjes te komen” - Sander Middelbeek, trainer/coach JOS Watergraafsmeer 1

Het gras is groen bij Sander Middelbeek en ‘zijn’ JOS Watergraafsmeer. Middelbeek en zijn team promoveerden vorig seizoen na een afwezigheid van drie seizoenen naar de Hoofdklasse. Tevens mocht zijn ploeg het dit seizoen in de tweede ronde van de beker in het Olympisch Stadion opnemen tegen Ajax. “Dat is allemaal het gevolg van jarenlang hard werken. Het is ons niet komen aanwaaien.”

Tekst: Jeroen Bolk | Beeld: Gerrit van Keulen

Middelbeek is bezig aan zijn tiende seizoen bij JOS Watergraafsmeer. Als (assistent-)trainer staat hij inmiddels zeven seizoenen, waarvan vier seizoenen als hoofdtrainer, voor de groep, maar zelf heeft hij ook drie seizoenen in de hoofdmacht van de Amsterdammers gespeeld. Zoals menig ander trainer was ook Middelbeek in de verdediging te vinden. “Ik was een centrale verdediger. Dat heeft mij later als trainer enorm geholpen, want op die positie wordt er van je verwacht dat je met name de achterhoede en het middenveld aanstuurt. Met name bij de junioren heb ik daar erg veel van opgestoken. Als je je dat eenmaal hebt aangeleerd, dan raak je het aansturen, het coachen en het nadenken over het spelletje niet meer kwijt.”

Beginjaren als trainer

Op zijn negentiende maakte Middelbeek zijn debuut als jeugdtrainer bij V.V. Oosthuizen, waar hij in de loop der jaren verschillende jeugdteams onder zijn hoede zou hebben. Altijd combineerde hij het trainerschap met zijn eigen voetbalcarrière. Bijkomend voordeel voor hem als trainer was dat hij op zijn 21e al voor de klas stond. Doceren en de omgang met groepen was daardoor voor hem vanzelfsprekend. “Doceren zit in mijn bloed. Alhoewel er wel een groot verschil zit tussen het omgaan met kinderen en het omgaan met senioren. In het begin kopieer je als trainer vaak nog het kunstje van iemand anders of doe je oefeningen die je zelf als speler vaak moest doen. Na enkele trainerscursussen gevolgd te hebben, weet je bijvoorbeeld veel beter hoe je een goede training in elkaar zet en hoe de trainingen opgebouwd moeten worden. Maar dat ik destijds als leraar al gewend was met groepen om te gaan. Dat was zonder meer een voordeel.”

De trainer vertrok op een gegeven moment naar de hoofdstad om er te gaan voetballen en belandde zo bij JOS Watergraafsmeer. “Voor de TCIII-cursus liep ik stage bij de B1 en voor de TCII-cursus, die ik in deeltijd aan de CIOS deed, liep ik stage bij het tweede.” Toen hij besloot zijn voetbalschoenen aan de wilgen te hangen, werd hij hoofdtrainer van het op zondag uitkomende tweede team van de Amsterdammers. “Onder mijn hoede promoveerden we van de tweede naar de Hoofdklasse. Uiteindelijk werd ik toegelaten tot de TCI-cursus, waarna ik mijn stage combineerde met het assistentschap bij het eerste elftal, dat destijds nog in de eerste klasse uitkwam. Binnen de club gold destijds de afspraak dat als Bart Logchies (de voormalig hoofdtrainer, red.) zou vertrekken, ik de hoofdtrainer zou worden. Dus zodoende.”

Mentor Bart Logchies

De samenwerking met zijn mentor was volgens Middelbeek prima. “We bespraken alles met elkaar en hadden het zeven dagen per week over het spelletje: van het voorbereiden van trainingen tot het geven ervan en de evaluatie tot het bekijken van de komende tegenstanders en de zoektocht naar mogelijke versterkingen. Als je eenmaal besmet bent met het virus, dan ben je er zeven dagen per week mee bezig. Bart deelde veel kennis en we overlegden veel. Het was voor mij een ‘ALS JE MET HET VIRUS BESMET BENT, BEN JE ER ZEVEN DAGEN PER WEEK MEE BEZIG’ hele leerzame tijd. Wat ik het meest van hem opgestoken heb? Dat is misschien een cliché, maar dat een goede voorbereiding het halve werk is. Bart bereidde zijn trainingen altijd minutieus voor. Daar werd ik mee opgevoed en in meegezogen. Zo ga ik nu zelf ook te werk, ik bereid alles zeer grondig voor.”

“Op maandagen maak ik de training voor de maandagavond. Die training evalueer ik op dinsdag, wanneer ik ook de trainingen voor de woensdag en donderdag voorbereid. Vrijdagavond neem ik de afgelopen twee trainingen nog eens door. Ik houd alles bij: van trainingsopkomst en het aantal gespeelde minuten per speler tot de voetbalconditionele belasting, blessures en ook privézaken. Mijn spelers weten ook dat ze bij mij niet aan moeten komen met smoesjes en andere verhalen, want ik ben goed gedocumenteerd. Dat zorgt voor duidelijkheid en rust en dat vind ik een prettige voorwaarde om in te werken.”

Middelbeek heeft veel opgestoken van Logchies en zou naar eigen zeggen vast en zeker een andere trainer geweest zijn als hij een andere mentor had gehad. “In die tijd heb ik heel duidelijk geleerd wat het trainersvak precies inhoudt en wat er nodig is om op dit niveau werkzaam te kunnen zijn. Daar ben ik absoluut door beïnvloed. Het contact met Bart is nog steeds goed. Hij is nu hoofdtrainer bij AFC en we sparren nog steeds erg veel over allerlei zaken.”

De opbouw

JOS Watergraafsmeer streeft ernaar de tegenstander met verzorgd voetbal op de pijnbank te leggen. “Wanneer onze keeper de bal heeft, staan onze ‘3’ en ‘4’ ver uit elkaar. De backs staan breed en hoog op. Beide centrumverdedigers kunnen goed verdedigen en opbouwen. Dat zorgt voor afwisseling en zorgt ervoor dat het voor de tegenstander lastig is onze opbouw te verstoren. Vaak schermt de spits van een tegenstander namelijk de best opbouwende centrumverdediger af en zet hij druk wanneer de andere centrumverdediger aan wordt gespeeld.”

“Onze ‘6’, ‘8’, en ‘10’ bewegen in eerste instantie van de bal af om ruimte te creëren voor de verdediging, waardoor een centrumverdediger in kan schuiven. Als die centrumverdediger het middenveld heeft weten te bereiken, dan hebben we als de tegenstander 1:4:3:3 speelt een man meer op het middenveld en gaan we combinatievoetbal spelen. Vervolgens proberen we de buitenkanten te bereiken of via de kortste weg, via de spits, naar het doel te gaan.”

Zijn backs bemoeien zich in eerste instantie niet met de aanval. In tegenstelling tot de trend zijn de linker- en rechterverdediger van JOS Watergraafsmeer echte backs. “Op die positie is het belangrijker om goed te kunnen verdedigen dan goed te kunnen aanvallen”, stelt Middelbeek. De trainer is het dan ook totaal niet eens met eenieder die roept dat een back goed moet kunnen aanvallen, de trend die je steeds vaker waarneemt op de velden. “Ik heb mijn backs daarin wel moeten remmen, want ook zij waren het bij hun oude club gewend om er te pas en te onpas overheen te knallen. Je hoort mensen rondom de velden wel eens zeggen dat een bepaalde back zo’n goede voorzet heeft. Daar lach ik om. Waarom is het dan geen buitenspeler?”

Binnen zijn formatie, dat begint als 1:4:3:3 maar uiteindelijk 1:3:4:3 wordt, is het de bedoeling dat vooral de ‘3’ en ‘4’ inschuiven. “Wij proberen eerst altijd de tegenstander uit te schakelen. Als de situatie het echt toelaat, dan kan een back natuurlijk altijd wel een keertje mee naar voren. Maar in eerste instantie zijn zij er om te verdedigen. Ze kunnen allebei goed voetballen en hebben veel kwaliteit, maar binnen onze speelwijze vind ik dat het prettigst. Bijkomend voordeel is dat de buitenspelers van de tegenstander daardoor vaak bij hun man blijven hangen, waardoor de ruimte op het middenveld groter wordt en wij daardoor meer ruimte hebben om het voetballende gedeelte in overtal uit te buiten.”

Tegenstanders vastzetten

Zelf willen de Amsterdammers de opbouw van de tegenstander verstoren door meteen de boel vast te zetten. “Mijn verdedigers kunnen prima één-op-één spelen. Om de opbouw niet toe te laten, kiezen we er daarom voor om 1:3:4:3 te gaan staan. We willen de tegenstander daarmee dwingen de lange bal te spelen, want onze centrumverdedigers kunnen prima koppen. Winnen wij het daaropvolgende luchtduel, dan kunnen wij daarna weer ons spelletje gaan spelen.”

“Ook kun je er voor kiezen een back of centrale verdediger in te laten spelen en van daaruit druk te gaan zetten. Maar het probleem daarmee is – en dat heb ik ook wel eens meegemaakt – dat je training in het teken staat van een bepaalde tactiek en je er tijdens de wedstrijd achterkomt dat degene op wie je bijvoorbeeld druk wil zetten niet meedoet. Daarom moet je je niet te veel op één situatie focussen, want dan bestaat de kans dat je de boel tijdens een wedstrijd alsnog om moet gooien. Wij behandelen dan ook meerdere scenario’s op de training en bekijken in het veld hoe we te werk gaan.”

Promotie

Vorig seizoen promoveerden de hoofdstedelingen na een afwezigheid van drie seizoenen naar de Hoofdklasse. “In de eerste klasse waren wij uiteindelijk de sterkste ploeg, iets dat wij overigens niet op voorhand dachten. Daardoor konden wij onze speelwijze uitvoeren zoals wij dat wilden. Maakten we een keer een slippertje, dan konden we dat nog op tijd herstellen of werd het niet afgestraft”, vertelt Middelbeek.

In de Hoofdklasse is dat wel anders, weet hij. “We spelen tegen echt hele goede ploegen. Dan kan je wel eigenwijs zijn, zeggen dat je daar geen rekening mee gaat houden en dat wij bepalen wat er gebeurt in het veld, maar zo werkt het niet. Een tijdje geleden speelden we bijvoorbeeld tegen Westlandia. Zij spelen in een soort van 1:4:2:4-formatie met twee spitsen van minimaal 1.95 meter, die heel erg balvast zijn. Het heeft dan geen nut om hun opbouw vast te zetten en hun keeper te dwingen de lange bal te spelen, want grote kans dat je het luchtduel verliest.”

Aanpassen

“Je kunt er in dat geval voor kiezen om twee controlerende middenvelders voor de spitsen te zetten bij de lange bal, waardoor je hen dubbele dekking geeft. Of je nodigt hun uit om de backs in te spelen, waardoor de lange bal ook niet gegeven wordt en van daaruit proberen druk te zetten. In de eerste klasse moesten we minder rekening houden met de tegenstander. Daar kwamen dit soort gevallen niet zo vaak voor, omdat wij op elke positie vaak wel sterker waren dan onze tegenstander. Dat is dit jaar zeker niet het geval, dus je moet je bewuster omgaan met tactische keuzes.”

Amsterdamse jongens

Zijn ploeg gaat daarnaast de strijd aan met andere ploegen door veel arbeid te verrichten en als team te opereren. Dat laatste is een belangrijke kracht van Middelbeeks team. “Ik weet met wat voor soort jongens ik het prettig vind om te werken. Dat hoeven zeker niet altijd de makkelijkste jongens te zijn als ze voldoende kwaliteit hebben. Doordat ik al tien seizoenen bij deze club rondloop, weet ik daarnaast wat voor jongens hier passen en wat voor jongens de mensen langs de lijn graag bij hun club zien. Dat zijn bij voorkeur Amsterdamse jongens, die in de buurt van de club wonen. Wij halen niet veel spelers van daarbuiten. Ook vind ik het een pluspunt als een jongen iemand binnen onze selectie op de een of andere manier kent, bijvoorbeeld doordat ze samen in een jeugdteam hebben gezeten of ze tot dezelfde vriendengroep behoren. Daarnaast ben ik wel gecharmeerd van jongens van buiten Amsterdam, die hier zijn gekomen om te studeren. Dat zorgt vaak voor een frisse wind, maar ze moeten wel goed in de groep passen.”

“Amsterdamse jongens hebben vaak een bepaald soort flair. Ze zijn verbaal sterk, houden van een bepaalde gezelligheid en hebben veel vertrouwen in eigen kunnen. Naar dat soort jongens ga ik op zoek. Ik kijk dan veel wedstrijden om te zien of er ergens een versterking rondloopt. Ook melden er zich vaak jongens bij ons aan. Daar kijk ik ook altijd zelf een wedstrijd of training van en vervolgens nodig ik ze uit voor een gesprek. Dat is altijd een gesprek aan tafel, niet over de telefoon. Ik wil zien hoe iemand zich gedraagt. Daar let ik ook op als ik hem daarna een keer mee laat trainen. Op die manier kan ik zien hoe zo’n jongen op zijn nieuwe omgeving reageert, hoe onze spelers op hem reageren en hoe hij zich verder gedraagt op de training.”

Toch kan die Amsterdamse bluf ook wel eens nadelig zijn, weet ook de trainer. “Dat zelfvertrouwen is niet altijd een kracht, want het leidt ook wel eens tot zelfoverschatting. Daar moet je als trainer nuance in aanbrengen. Zorg dat ze met hun koppie blijven spelen en niet zomaar denken dat ze automatisch beter zijn dan een ploeg uit pak ‘m beet Den Haag.”

Goede mix

Middelbeek wil daarnaast dat zijn selectie een goede mix bevat van ervaren spelers en jonge talenten. Wat dat betreft, is hij daar dit seizoen in geslaagd. “Onze groep is opgebouwd uit een aantal ervaren jongens, die dertig jaar of ouder zijn. Zij weten wat er qua gedrag en kwaliteit van je gevraagd wordt op dit niveau en hoe je omgaat met tegenslag. Daaronder bevindt zich een groep middentwintigers en daaronder een groep begintwintigers. Ook zitten er altijd een aantal jongens bij die van een lager niveau komen, maar de stap willen wagen.”

Managen

Die groep, veertig man in totaal, willen allemaal zo veel mogelijk minuten in het eerste maken. “Maar dat gaat natuurlijk niet lukken. Als je op donderdag niet bij de eerste zestien zit, dan train je bij het tweede en speel je op zondag in dat team. Een deel van de groep kan op zondag ook niet aan spelen toekomen. Die komen dan maandags extra aan bod. Ook probeer ik doordeweekse oefenwedstrijden te regelen, waardoor zij ook aan hun minuten komen. Gaandeweg het seizoen komt eigenlijk iedereen wel aan de beurt.” Ondertussen is het als trainer belangrijk je keuzes uit te leggen, zodat iedere speler weet waar hij aan toe is. Ook leg je uit waarom. “Dit jaar kwam er een jonge talentvolle linksback van twintig jaar bij ons. Ik heb hem toen na een aantal trainingen uitgelegd dat ik op dat moment voor een concurrent kies op die positie en dat hij ook geen tweede keus is. Ik vraag spelers in dat soort situaties ook altijd waarom zij denken dat ik dat doe. Vaak kunnen ze dat dan haarfijn uitleggen. Dat is voor mij de bevestiging dat ze mijn keuze begrijpen. Vervolgens gaan we samen aan de slag om te zorgen dat hij de volgende stap kan maken. Mocht we na meerdere gesprekken gevoerd te hebben niet op één lijn komen, dan maakt hij in ieder geval het seizoen bij ons af en mag die volgend seizoen ergens anders gaan voetballen. Ik vind het belangrijk dat ze er dan toch voor zorgen dat ze dat seizoen een betere speler zijn geworden. Ik wil daarnaast dat we altijd goed uit elkaar gaan en je elkaar recht in de ogen kan aankijken.”

Ajax

Naast de promotie naar de hoofdklasse, beleefde Middelbeek recent een ander hoogtepunt als trainer van JOS Watergraafsmeer: de bekerwedstrijd in het Olympisch Stadion tegen Ajax (0-9 voor Ajax, red.). “Dat heeft de club ongelooflijk veel goodwill opgeleverd. De mensen hadden het weer over ‘een Amsterdamse volksclub’, waarvan er helaas te veel zijn verdwenen, en waren trots op de club. De wedstrijd zelf probeer je natuurlijk altijd zo goed mogelijk te spelen, maar je moet wel realistisch blijven. Een stunt zat er absoluut niet in. We wilden de uitslag niet te hoog op laten lopen, maar kozen er wel voor om geen betonvoetbal te gaan spelen. We wilden onze eigen speelwijze hanteren en dat dwong ook weer respect af. Wij hadden niets te verliezen. Of ik in een stoute droom niet heel even aan een stunt gedacht heb? Nee, daar ben ik denk ik iets te realistisch voor.”

 

“Een jeugdopleiding is de levensader van iedere BVO” - Roger Bongaerts, Hoofd Jeugdopleiding VVV-Venlo/Helmond Sport

VVV-Venlo en Helmond Sport delen sinds 2010 een jeugdopleiding. Vijf jaar later kan met zekerheid gezegd worden dat die samenwerking zijn vruchten heeft afgeworpen. De TrainerCoach sprak met Hoofd Jeugdopleiding Roger Bongaerts. “We willen bij de beste twaalf jeugdopleidingen van Nederland horen.”

Tekst: Jeroen Bolk | Beeld: Jeroen Bolk & Sef Ewalts

Een jeugdopleiding is voor iedere club van levensbelang, weet Bongaerts. “Kijk maar naar Feyenoord, waar de jeugdopleiding de club bij wijze van spreken gered heeft. Ze teerden op hun jeugdopleiding. Daarom is het belangrijk dat je in je jeugd blijft investeren”, stelt hij.

Regio

Dat geldt volgens hem niet alleen om voldoende goede spelers voor het eerste elftal op te leiden. “We hebben ook een verantwoordelijkheid naar onze regio, Noord- en Midden-Limburg. Daar komen behalve onze jeugdspelers ook onze fans en sponsors vandaan. Ook moeten wij ervoor zorgen, door samen te werken met regionale amateurclubs , dat het algemene niveau van het amateurvoetbal in de regio omhoog gaat.”

De academie werkt daarom samen met zo’n 110 amateurclubs. “Met negen wat grotere Nederlandse clubs, zoals Irene en Venlosche Boys, en een Duitse club hebben wij een intensieve samenwerking. Dat houdt in dat we trainers uitwisselen, clinics geven en regelmatig over allerlei zaken overleggen. De overige honderd clubs zijn ingedeeld in bepaalde categorieën. Hoe hoger een club is ingedeeld, hoe intensiever de samenwerking is. Daarbij moet je denken aan bijvoorbeeld talentendagen en presentaties. Ik ben er voorstander van om regelmatig de boer op te gaan of clubs bij ons uit te nodigen. Dat zorgt voor binding met onze achterban; partnerclubs en de fans in de regio. Dat kost veel tijd en energie, maar we doen het graag en het levert ons ook veel op. We willen dat jeugdspelers van amateurclubs ervan dromen om bij ons te komen voetballen.”

Label

Kiest een speler ervoor om de jeugdopleiding van VVV-Venlo en Helmond Sport te komen versterken, dan wordt hij gelabeld. Spelers die al in de F’jes of E’tjes van een van beide clubs spelen, krijgen het label van de club waarvoor zij actief zijn. Dat label bepaalt welke club uiteindelijk de eerste optie heeft op een speler. Wordt een speler vanaf de D’tjes, wanneer beide jeugdopleidingen samen worden gevoegd, gescout, dan krijgt hij het label van de club van zijn provincie. Komt hij uit Limburg, dan krijgt hij het label van VVV-Venlo. Komt hij uit Noord-Brabant, dan krijgt hij het label van Helmond Sport.

Ontstaan samenwerking

Enigszins genoodzaakt door de wens van de KNVB om veertien Regionale Jeugdopleidingen (RJO’s) in Nederland te hebben, zocht VVV-Venlo destijds namelijk toenadering tot Helmond Sport. De Zuiderlingen werken vanaf de D1 tot en met het beloftenelftal samen. “Het zijn van een RJO had bepaalde voordelen, zoals het verkrijgen van de LOOT-status. Wij wilden die status graag hebben en gingen daarom de samenwerking met Helmond Sport – een club van vergelijkbare grootte – aan. Samen zijn we gaan kijken hoe we zo veel mogelijk spelers in het betaald voetbal kunnen afleveren.”

Volgens Bongaerts was de kwaliteitsinjectie die het de jeugdopleiding zou opleveren echter de voornaamste reden om de krachten te bundelen. Die kwaliteitsinjectie heeft zijn waarde bewezen. “Het niveau van de afzonderlijke teams is gestegen. Met uitzondering van de A1 spelen alle eerste teams op het hoogste niveau. Daardoor krijgen de spelers meer weerstand en dat is uiteraard goed voor hun ontwikkeling. Door de selecties samen te voegen, heb je automatisch meer kwaliteit in een team dan voorheen het geval was. Dat geldt ook voor de staf, die veel van elkaar leert. Waar wij over vijf jaar willen staan? We willen met al onze jeugdteams op het hoogste niveau ‘JEUGDSPELERS MOETEN DROMEN OM BIJ ONS TE VOETBALLEN’ actief zijn. Dat hebben we nu al bijna bereikt, maar het is de kunst om op het hoogste niveau actief te blijven. We willen bij de beste twaalf jeugdopleidingen van Nederland horen.”

Visie

In de visie van de gezamenlijke jeugdacademie staan zeven pijlers centraal: talentontwikkeling, individuele ontwikkeling, leeromgeving, topsportcultuur, teamontwikkeling & speelwijze, meesterschapsklimaat en groeimindset.

Individu en talent

De ontwikkeling van het individu en het team staan centraal. Mocht een speler de academie ontgroeid zijn, dan moet hij een stapje hogerop gaan. Bongaerts juicht dat alleen maar toe. “Wij moeten hen de kans niet ontnemen om op een hoger platform te gaan trainen. Natuurlijk willen wij de grootste talenten door laten stromen naar ons eerste elftal, maar het belang van het kind staat altijd centraal. Wij willen dat de jongens zich blijven ontwikkelen, zodat ze betaald voetbal halen en eventueel voor de nationale elftallen mogen uitkomen. Afgelopen seizoenen zijn er ook weer spelers naar clubs als Vitesse, PSV, FC Schalke 04 en Borussia Mönchengladbach gegaan. Dat geeft je voldoening en is goede reclame voor onze opleiding. Het betekent namelijk dat onze basis goed is.”

Topsportcultuur en leeromgeving

Om de ontwikkeling van de spelers te bevorderen, biedt de club een omgeving waar de topsportcultuur heersend is. “Wij hebben een omgeving gecreëerd waar getalenteerde kinderen graag willen voetballen. Bij ons kan er op hoog niveau gespeeld worden en hebben spelers de kans – en door de samenwerking met Helmond Sport zelfs twee – om betaald voetbal te halen. Kinderen moeten een goed gevoel bij de club hebben. Wij hebben hier goed opgeleide trainers, prima pedagogen, veel specialisten op sport- en prestatiegebied en werken nauw samen met school. Dat alles zorgt ervoor dat spelers zich hier zonder zorgen kunnen ontwikkelen. Het kind staat bij ons centraal.”

Er zijn echter ook omgevingen waar de club geen directe invloed op heeft, zoals de thuissituatie, school en hun sociale omgeving. “Daar willen wij echter ook invloed op uitoefenen. Voordat spelers hier komen voetballen, krijgen zij en hun ouders een presentatie over de voorwaarden om topsport te kunnen beoefenen. Daarin wordt ook verteld wat er thuis van hen verwacht wordt. Na die presentatie vragen we of ouders en spelers daarmee akkoord gaan. Doen ze dat, dan vragen we of ze bij ons willen komen voetballen. Gaan ze niet akkoord, dan schudden we elkaar de hand en gaan we uit elkaar. Ook betrekken wij de ouders er bij door ouderavonden en themaavonden te organiseren. Daarnaast zijn ze verplicht aanwezig te zijn bij de POP-gesprekken van hun kind.”

“Gaan spelers naar het voortgezet onderwijs, dan moeten ze naar onze LOOTschool. Daar hebben wij best wel wat invloed op. Z-e kunnen ’s ochtends trainen en daarna naar school. We weten ook hoe onze spelers het doen op school. Vaak hoor je dat een speler minder mag voetballen als hij niet zo goed presteert op school. Daar zie ik het nut niet van in, want dat werkt volgens mij averechts. Dan presteert hij namelijk minder op school en op het voetbalveld. We gaan daarom altijd eerst op zoek naar de reden voor zijn mindere leerprestaties. De leerstof kan namelijk ook gewoon te moeilijk zijn. Ligt het aan de houding, dan is het een ander verhaal. Daarover gaan we dan in gesprek met school en eventueel zijn ouders en dan kom je in een ander traject terecht.”

Speelwijze In de jeugdopleiding van VVV-Venlo en Helmond Sport wordt ervoor gekozen om bij de elftallen 1:4:3:3 te spelen. “De club staat voor aanvallend en attractief combinatievoetbal, waarbij er steeds druk wordt gezet op de tegenstanders. Dit is volgens mij het makkelijkste systeem om te leren op een degelijke manier op te bouwen en biedt veel structuur. Alle teams moeten kennisgemaakt hebben met het spelen met de punt naar achter en met de punt naar voren. Een trainer kiest daar uiteindelijk op basis van de kwaliteiten van zijn ploeg tussen. Heeft hij een hele goede ‘10’ in zijn team, dan speelt hij met de punt naar voren. Andersom geldt dat als hij een sterke ‘6’ in de gelederen heeft.”

Bongaerts maakt het niet zo veel uit in welke samenstellingen pupillen voetballen. Hij is voorstander van differentieel leren. “Zo organiseren wij bijvoorbeeld ook straatvoetbaltoernooien op onze parkeerplaats. Wij vinden het, in tegenstelling tot sommige andere teams, helemaal niet erg om met onze jongste teams in wisselende samenstellingen te spelen. Kinderen passen zich wel aan, waardoor ze steeds in andere situaties verzeild raken en daar worden ze alleen maar beter van. Houd je alleen maar vast aan een bepaalde samenstelling, aantallen of formatie, dan leer je de spelers als het ware een trucje. Ze kunnen daar door herhaling weliswaar heel goed in worden, maar ze moeten ook goed kunnen voetballen in andere samenstellingen en onder andere omstandigheden. Datzelfde geldt voor techniektraining. Ik kan een aap leren een schaar uit te voeren, maar het gaat erom dat ze zoiets in de praktijk leren toepassen. Ze moeten weten wanneer ze het in een wedstrijd of training kunnen uitvoeren. De Total Soccer Method is een voorbeeld van hoe dat wel kan.”

Meesterschapsklimaat

Om het te maken in de voetballerij, is hard werken de basis. In Venlo wordt dit principe aangeduid als ‘het meesterschapsklimaat’. “Vanaf het moment dat een speler hier komt voetballen, verwachten wij van hem dat hij iedere training en wedstrijd altijd alles geeft. Als je dat niet kunt opbrengen, dan wordt het een lastig verhaal. Je hoeft echt geen ‘Jantje’ Wouters te zijn, maar je moet wel bereid zijn alles te willen geven om jezelf maximaal te kunnen ontwikkelen. Die passie moet in je zitten. Dat leren wij niet aan, maar faciliteren we door spelers bijvoorbeeld te prikkelen door de manier van coaching.”

Groeimindset

Volgens de Hoofd Jeugdopleiding wordt een goede voetballer niet met al zijn talent geboren. Spelers moeten continu op zoek zijn naar manieren om zichzelf te verbeteren. Die groeimindset is volgens hem van essentieel belang om het betaald voetbal te kunnen halen. Bij tegenslag mag de handdoek niet in de ring gegooid worden, maar moet je juist kijken hoe je er sterker uit kunt komen. En dan kom je weer bij het meesterschapsklimaat uit. “Je kunt altijd terugvallen op hard werken. Dat is de basis.”

Dynamisch, creatief en resultaatgericht De jeugdopleiding heeft een tijdloos karakter. Dat zorgt ervoor dat de academie dynamisch, creatief en resultaatgericht gehouden dient te worden. Voetbal is namelijk altijd in ontwikkeling. “Een visie moet daarom dynamisch zijn. Je kunt een visie over tien jaar niet nog steeds op dezelfde manier hanteren. Je moet meegaan met de tijd, openstaan voor nieuwe ontwikkelingen en die ontwikkelingen ook durven toe te passen. Zo zijn bijvoorbeeld onze velden nu voorzien van camera’s, waardoor wij trainingen en wedstrijden kunnen analyseren.”

Relatief kleine clubs als VVV-Venlo en Helmond Sport moeten daarnaast creatief zijn. “Wij kunnen niet voortdurend kennis en materialen inkopen. Daarom zorgen we dat we de kennis die we intern hebben zo veel mogelijk met elkaar delen. We hebben specialisten voor allerlei vakgebieden. Ook vragen wij wel eens mensen uit iemands netwerk om advies. Wat we ook wel eens doen, is kijken hoe het er aan toegaat bij andere clubs. Een tijdje terug zijn we met alle jeugdtrainers naar FC Schalke 04 gegaan, omdat een speler uit onze C1 naar die club vertrok. Zelf ben ik kort geleden in Singapore geweest. Ook ben ik bij veel clubs uit verschillende landen geweest. Vorig seizoen ben ik ook nog bij AZ en Vitesse wezen kijken. Uiteindelijk wil iedere club zo veel mogelijk spelers opleiden voor het betaald voetbal, maar iedereen heeft daar zijn eigen visie op. Daar kunnen wij van alles van leren en kijken hoe we dat eventueel bij onze jeugdopleiding zouden kunnen doorvoeren.”

Bongaerts is zich ervan bewust dat het uiteindelijk om de output gaat: het aantal spelers dat je opleidt voor het betaald voetbal. “Daarom is het belangrijk dat ze resultaatgericht leren voetballen. Ze moeten voorbereid worden op dat klimaat. Daar wordt langzaam naar toe gewerkt naar mate spelers ouder worden. Ze leren dan kennismaken met facetten als concurrentie, het kunnen afvallen en het moeten presteren in wedstrijden.”

“Ons doel is om uiteindelijk structureel in de Eredivisie te blijven, maar daarvoor ben je van heel veel factoren afhankelijk. De jeugdspelers die nu bij de eerste selectie zitten, zijn vooral jonge jongens. Als zij vier of vijf jaar in dat elftal blijven spelen, dan zullen zij het elftal gaan dragen. Zij kennen de cultuur, regio en zijn gewend om voor de club te spelen. Uiteindelijk gaat dat niveauverhogend werken. Het is een utopie om een basis te vormen bestaande uit elf spelers uit de eigen jeugd. Maar als je een speler van buitenaf haalt, dan moet hij van toegevoegde waarde zijn en over veel meer kwaliteit beschikken dan spelers die vanuit je eigen jeugd doorstromen.”

Belastingvrije vergoedingen in 2015

De meeste trainers in Nederland werken in loondienst. Hierdoor hebben zij te maken met loon en onkostenvergoedingen. Voor de onkostenvergoedingen is vanaf 2015 de zogenaamde werkkostenregeling verplicht van kracht.

Tekst: Jongbloed Fiscaal Juristen

Een trainer hoeft natuurlijk niet exact te weten wat dit inhoudt maar het is wel makkelijk om te weten wat belastingvrij vergoed mag worden door de vereniging/werkgever. Hier hebben immers alle partijen voordeel van.

Basis

Het idee achter de regeling is dat een werkgever eenvoudiger onkostenvergoedingen kan betalen en dit niet meer per werknemer hoeft bij te houden. Dit is bereikt door 1,2% van de loonsom van alle werknemers van een onderneming/vereniging aan te wijzen als vrije ruimte. Binnen deze ruimte kan de werkgever in principe allerlei kosten onbelast vergoeden, als het maar niet ongebruikelijk is. De vrije ruimte van 1,2% is niet al te groot, daarom mag de werkgever ook nog een aantal aangewezen onkosten vergoeden zonder dat die van invloed zijn op de ruimte van 1,2%. Ik zal verderop in dit artikel een opsomming geven van de kosten die dit betreft.

Vrije ruimte benutten

Het zou natuurlijk zonde zijn om de vrije ruimte onbenut te laten. Je kunt immers vergoedingen betalen of zaken verstrekken waarover je “normaal” gesproken belasting moet betalen. Bij trainers denk ik dan vooral aan de mogelijkheid om een (winst-) bonus onbelast te betalen. Dit mag in elk geval tot € 2.400 per jaar, daarboven moet worden gekeken naar gebruikelijkheid. Hiermee bespaar je al snel € 1.000 belasting. In plaats van een bonus in geld kun je ook denken aan het verstrekken van een fiets, flatscreen, noem maar op.

Overige onbelaste vergoedingen

Buiten de hierboven genoemde vrije ruimte mag de werkgever een aantal zaken onbelast blijven vergoeden/verstrekken zonder dat dit die ruimte aantast. De belangrijkste zijn:

– Reiskostenvergoeding 19 cent per km;
– Abonnementen openbaar vervoer;
– Cursussen, bijscholing etc. dus ook de studiebijeenkomsten van de VVON;
– Kosten van de beroepsvereniging;
– Computers en communicatiemiddelen die noodzakelijk zijn voor een behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking, naar het oordeel van de werkgever;
– Kleding die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt is om tijdens werktijd te dragen of kleding voorzien van een logo van ten minste 70 cm2 .

Deze column geeft geen volledig beeld van de werkkostenregeling maar is vooral bedoeld om u te attenderen op de mogelijkheden. U kunt uw voordeel er mee doen in de salarisonderhandelingen, een onbelaste bonus of onkostenvergoeding betekent voor de werkgever geen extra kosten maar levert u wel een aanzienlijk belastingvoordeel op.

Heeft u vragen of twijfelt u over vergoedingen binnen de werkkostenregeling dan kunt u altijd contact met mij opnemen.

TOONAANGEVEND IN EUROPA -Jeugdopleiding Feyenoord

Feyenoord wordt geroemd vanwege de jeugdopleiding. Het bewijs daarvan waren de acht eigen opgeleide spelers die landskampioen PSV met 2-1 versloegen. Tijdens de trainersdag van Feyenoord gaven Damien Hertog (Hoofd Jeugdopleiding) en Glenn van der Kraan (trainer E1) tekst en uitleg.

Tekst & beeld: Rogier Cuypers

De VVON organiseerde op 2 april j.l. wederom een kennisdag voor trainers. Ditmaal voor jeugdtrainers en waar kun je dat het beste doen als de club die al jaren op rij wordt bestempeld als de beste jeugdopleiding van Nederland, Feyenoord? Het eerste elftal van Feyenoord is het toonbeeld van het feit dat er in Nederland wel degelijk BVO’s zijn die massaal opleiden voor een eerste elftal. De financiële situatie van de club zorgde ervoor dat de talenten van Varkenoord sneller dan verwacht konden doorstromen. Spelers als Jordy Clasie, Bruno Martins Indi en Terence Kongolo zijn daar enkele voorbeelden van.

Interactief

De ongeveer 120 trainers, verdeeld over een twee sessies, kregen een interactief programma voorgeschoteld. Achterover leunen en met het certificaat en de punten mee naar huis is er niet meer bij. De trainers kregen trainingen en presentaties te zien, maar moesten naar aanleiding van de training in kleine groepjes de training analyseren en vragen opstellen die ze de trainers achteraf zouden stellen. Het leverde levendige sessies op en soms prikkelende vragen voor onder andere Damien Hertog.

Jeugdopleiding

Hertog kon het tijdens zijn presentatie natuurlijk niet onvermeld laten. Feyenoord was namelijk tijdens het afgelopen WK in Brazilië (samen met FC Barcelona) hofleverancier van zelf opgeleide spelers: liefst negen. De missie van Feyenoord bestaat uit drie pijlers: de beste talenten opleiden, een topsportklimaat creëren en de jeugd kansen bieden om door te stromen naar het eerste elftal. Bij het tweede punt valt zeker nog winst te behalen: de accommodatie op Varkenoord moet in de toekomst een professionaliseringsslag maken.

Visie

“Een speler moet zowel binnen als buiten de lijnen de juiste keuzes maken en die ook uit kunnen voeren”, vervolgt Hertog. De visie van Feyenoord steunt op een aantal kernwaarden:

– Spelen om te winnen;
– Passie en strijd;
– Spelen als een team;
– Respect;
– Plezier;
– Kameraadschap

Topsportklimaat

Feyenoord ziet spelers natuurlijk zo jong mogelijk naar de club komen. De meeste spelers worden gescout in en om Rotterdam, maar uiteraard kijken ze bij de Stadionclub ook verder. Wanneer de spelers binnen zijn, moet de club zorgen voor een topsportklimaat. “De coaches en trainers zijn daarin van groot belang. Er moet continuïteit in zitten. We hebben er niets aan als we trainers binnenhalen die allemaal de ambitie hebben om hoofdtrainer van het eerste te worden. Ook is het belangrijk dat ze leeftijdsdeskundig zijn en weten hoe met bepaalde leeftijdsgroepen om te gaan. Daarnaast willen we diversiteit in leeftijd, ambitie, opleiding, voetbalverleden, positie in het veld en karakter.”

Een discussiepunt met de aanwezige trainers was het feit dat Feyenoord vanaf de O11 al 11v11 speelt. Daar waar bijvoorbeeld Ajax liever op een latere leeftijd overgaat op 11v11. “Ieder maakt zijn eigen keuze, maar wij vinden het beter als spelers op jonge leeftijd al 11v11 spelen. Op die manier leer je goed kijken en ontwikkel je inzicht.”

Manier van trainen

Binnen de opleiding van de Rotterdammers is ook vastgelegd waar de nadruk op moet liggen in de trainingen:

– Teamontwikkeling;
– Individuele ontwikkeling;
– Individuele ontwikkeling binnen het team;
– Manier van trainen = manier van spelen;
– Hoge intensiteit;
– Kracht van herhalen;
– Prioriteiten stellen wat te trainen

Kracht

“Maar wat is nu daadwerkelijk de kracht van jullie opleiding”, kwam er een vraag vanuit de zaal. “Kijk naar het eerste elftal”, lachte Hertog. Om er vervolgens een belangrijk inhoudelijke opmerking aan toe te voegen. “Cruciaal is dat we spelers vanaf een zeer jeugdige leeftijd opleiden. Daarnaast zie je dat veel clubs de nadruk leggen op de speelwijze ontwikkeling. Wij vinden dat de invloed van de speelwijze niet te groot moet zijn.”

Afvallen & doorstromen

Het doel van alle jeugdspelers is het bereiken van Feyenoord 1. Maar dat is slechts voor een select gezelschap weggelegd. Er zijn spelers die naar andere BVO’s vertrekken of in een vroegtijdig stadium al afvallen. De beslissing wie overgeheveld worden naar het eerste team ligt bij de directie. Hertog: “Na overleg met de trainers breng ik een advies uit wie er volgens ons in aanmerking komt voor een contract. Uiteindelijk is het aan technisch directeur Martin van Geel om definitief die knoop door te hakken.”

Efficiënt trainen

Glenn van der Kraan is na zijn tijd als trainer van Anderlecht alweer vier jaar werkzaam bij Feyenoord. En even zolang is hij verantwoordelijk voor de eerstejaars 010-lichting. Naast die groep houdt hij zich bezig met talentontwikkeling. Tijdens zijn presentatie lag de nadruk op het effectief trainen. Wanneer je bijvoorbeeld honderd trainingsuren in een jaar hebt, hoe besteed je aandacht aan video-analyse, fysiek, mentaal, tactisch en technisch? “Je hebt clubs die judoles geven en andere organiseren gymnastieklessen. Wij willen zo specifiek mogelijk trainen en dat gaat het beste wanneer dat echt op voetbal gericht is. Breng in kaart wat je wil trainen en hoe je dat op voetbalgebied kunt doen.” Uiteraard was niet iedereen het eens met de visie van Van der Kraan en Feyenoord. “De insteek van de presentatie is ook niet om mensen een visie op te dringen. Je moet trainers niet één richting opduwen, want iedereen heeft zijn eigen manier van denken over voetbal. Ons doel is om onze visie te delen en trainers daarover te laten nadenken. Als ze de dag erna naar hun werk rijden en er al over nadenken, heeft de presentatie nut gehad.” De aanwezige trainers stelden ook vragen over het vroege scouten van de Rotterdammers. ‘Waarom laat je spelers niet eerst bij hun eigen club?’. Van der Kraan trok een vergelijking met het onderwijs. “Je stuurt je kind toch het liefst naar de beste school met de beste docenten? Hier trainen en spelen ze ook met de beste jeugdspelers van het land.”

DE SPITS VIA DE ZIJKANTEN BEDIENEN - Feyenoord O19

Feyenoord O19, dat onder leiding staat van Roy Makaay en Dogan Corneille, verzorgde het eerste deel van het programma. Spelers en staf verzorgden een demonstratietraining en namen zowel voor als na de training ruim de tijd om vragen van de aanwezige trainers te beantwoorden.

Tekst: Jeroen Bolk | Beeld: Rogier Cuypers

Het is het team van Roy Makaay – net als de overige jeugdteams van de Stadionclub – er veel aan gelegen om via de vleugels tot scoren te komen. Zijn vleugelspelers zijn snel, behendig en beschikken over een verfijnde traptechniek. Dat laten zij met name tijdens de eerste twee oefeningen niet zelden zien.

Bezetting voor de goal

Een goede voorzet is niet voldoende. De bezetting voor de goal moet namelijk ook goed zijn, weet Das Phantom. Dat is dan ook iets waar hij veel op hamert. Zijn jarenlange ervaring als topspits komen daarbij goed van pas. “Ik wil dat de spits naar de eerste paal trekt. Negen van de tien keer staat hij het dichtst bij de goal, dus heeft hij de kortste looplijn naar de goal toe. Maar dat is natuurlijk ook afhankelijk van de situatie”, weet Makaay. “Daarnaast beheerst een spits het scoren bij de eerste paal vaak beter dan andere spelers”, voegt Corneille daaraan toe.

Opofferingsloop

De spits maakt daarmee tevens ruimte voor andere spelers, die voor het doel kunnen komen. “Het is daarom vaak ook een opofferingsloop van de spits, waarmee hij anderen kan laten scoren. Dat is ook een mentale kwestie”, vervolgt de assistent. Dat is niet de reden waarom kleine jongetjes graag spits willen worden, weten beide trainers. “Spits zijn is soms saai, maar je moet er toch staan. Ik kreeg ook niet altijd de bal toen ik bij Bayern München speelde”, laat Makaay weten. “Alleen het is wel belangrijk dat een spits vertrouwen heeft. Daarom moet hij wel de mogelijkheid krijgen om veel te scoren.”

Ondergeschikt

De oplettende trainer viel het al vrij snel op tijdens de demonstratietraining; in een partijspel tussen de O19 en O18 laat Makaay zijn spelers niet in een 1:4:3:3-formatie, maar in een 1:4:4:2- formatie ten strijde trekken. “Wij spelen normaal nooit met twee spitsen, maar vandaag wel. Dat komt omdat wij ondergeschikt waren aan de O18. Wij zijn dit weekend vrij, terwijl onze O18 tegen een team speelt dat 1:4:4:2 speelt. Vandaar waren wij dus even Hollandia A1, zodat de O18 wat dingetjes konden uitproberen. Maar normaal is dat andersom.”

Analyseren

De trainers weten van tevoren dus hoe hun aankomende tegenstander speelt. Toch sturen de Rotterdammers geen mensen vooruit om de volgende tegenpartij te analyseren. “In onze competitie weet iedereen wel van elkaar hoe er gespeeld wordt. Bij ons is alleen Vitesse een keer wezen kijken om te zien hoe wij spelen, maar verder niemand”, vertelt de hoofdtrainer, die altijd van eigen kracht en vanuit zijn eigen visie wil voetballen. De staf analyseert de prestaties van hun eigen ploeg wel intensief. Dat doen ze iedere maandag met behulp van videobeelden.

LINIE- EN INDIVIDUELE TRAININGEN - Feyenoord voetbalschool

Gerard Rutjes, Coördinator Voetbalschool bij de Rotterdammers, trapte het tweede programma van de dag af. Samen met Davey van den Berg en Glenn van der Kraan legde hij de zestig aanwezige trainers uit welke oefeningen en waarom deze aan bod zouden komen in de demonstratietraining, die in het teken stond van het verbeteren van de algemene en specifieke taken, zowel individueel als in linies, met de bedoeling dit terug te laten komen in de teamspeelwijze. Ook beantwoordde hij vragen uit het publiek.

Tekst: Jeroen Bolk | Beeld: Rogier Cuypers

Bij de voetbalschool staat de ontwikkeling van het individu centraal. “Daarom werken wij veel vanuit de behoefte van het kind. Op die manier willen wij hem zowel op als buiten het veld de juiste keuzes laten maken”, legt Rutjes uit. Om die reden houdt Feyenoord haar spelers verantwoordelijk voor hun eigen ontwikkeling. “We zeggen niet alles voor, maar laten ze zelf nadenken. Dat doen we onder andere met behulp van videobeelden. Ook onze F’jes krijgen al clipjes toegestuurd”, vertelt de coördinator, die daarmee wil realiseren dat de spelers een goed beeld krijgen van hun sterke en minder sterke punten.

Ouders

Uiteraard spelen ook ouders een rol in de ontwikkeling van hun kind. Bij Feyenoord willen ze die invloed tijdens het voetballen echter beperken. “De eerste keer dat een kind bij ons komt trainen, mogen zijn ouders even een kijkje nemen in de kleedkamer. Daarna zijn ze er niet meer welkom. Dat werkt namelijk averechts. Als de kinderen bij Feyenoord zijn, dan zijn ze bij ons in goede handen. Ze moeten het allemaal zelf doen. Daarom willen we bijvoorbeeld ook dat ze hun eigen tas dragen als ze op de club komen.”

Wim Jansen

Rutjes krijgt veel hulp van anderen bij zijn werkzaamheden. Een naam die binnen de hele jeugdopleiding steeds blijft terugkomen, is die van Wim Jansen. “Wim fungeert als klankbord voor de hele vereniging. Veel trainers praten met hem over de ontwikkeling van de kinderen. Hij neemt geen beslissingen, maar geeft altijd advies over allerlei zaken”, legt Rutjes, die Jansen prijst om zijn vermogen aan kennis, uit.

Samenwerken

Ook wordt er bij de onderbouw veel per linie samengewerkt. De trainers van de bovenbouw zijn niet te beroerd om hun collega’s daarbij te helpen. Zo draagt Roy Makaay, trainer van de A1, bijvoorbeeld zijn steentje bij als het om de ontwikkeling van de spitsen gaat. Ook tijdens de trainersdag zijn overal op het veld groepjes spelers, ingedeeld naar linie, verspreid over het veld aan het trainen.

Overleg

Voorafgaand aan de trainingen komen de trainers van de betreffende teams samen om te overleggen hoe de training er voor de individuele spelers het beste uit kan zien. Dan wordt er besloten wie wat nodig heeft en wordt tevens de voortgang besproken. Zo kan het voorkomen dat er spelers zijn die werken aan hun traptechniek, terwijl andere spelers een positiespel spelen en weer andere spelers een pass- en trapvorm uitvoeren. Uiteindelijk moet deze trainingsarbeid terugkomen in de wedstrijden, waarin de gehele jeugdopleiding 1:4:3:3 speelt.

Column

Wat drijft een mens om zich geroepen te voelen tot het vak van trainer. Is het pure geldingsdrang of wil men een bijdrage leveren aan het verbeteren van de sport? Kan het zijn dat de lokroep van geld een vergezicht is? Of gewoon idealisme en toch de absolute overheersende liefde voor het spel? U zegt het maar. Een pasklaar antwoord is er niet te vinden.

Een feit is wel dat veel trainers gewoon Kop van Jut zijn. Neem bijvoorbeeld Alfred Schreuder, de man ligt zwaar onder vuur. Als dit blad verschijnt, weet ik absoluut niet of hij nog wel trainer van FC Twente is. Het vreemde is dat het niet woedende supporters zijn die om het hoofd van de trainer schreeuwen, maar dat zijn eigen werkgever hem het werken bijkans onmogelijk maakt. Anders kan ik niet verklaren dat een aantal leden van de Raad van Commissarissen de hoogte van zijn salaris gebruikt om een interne vete met Joop Munsterman uit te vechten. De financial meltdown van de Tukkers is daar natuurlijk debet aan. De resultaten spreken ook niet in het voordeel van de trainer en zijn uitlatingen dat hij zich maar lastig op voetbal kan concentreren is natuurlijk een zwaktebod. Daar moet hij maar tegen kunnen. Dat er voor Schreuder een route naar de uitgang moet worden gevonden lijkt me zonneklaar.

De vaak immense druk waar een toptrainer aan bloot staat is niet voor iedereen weggelegd. Die druk is er helaas ook in de lagere regionen. Alleen daarom al is een beroepsopleiding voor dit vak onontbeerlijk. Clubbestuurders die via een duistere constructie een ‘beunhaas’ willen vastleggen, nemen de sport dan ook niet serieus en laten zich leiden door de waan van de dag. Helaas is er al weer een aantal fenomenale constructies waargenomen waar helaas nauwelijks een visie achter zit. Juist nu, in een tijdsgewricht waarin het vaderlandse voetbal om vernieuwing schreeuwt, is vakkennis een vereiste zijn. ‘We’ hebben immers een forse achterstand op het gebied van voetbalopleiding opgelopen. We zijn al lang geen gidsland meer. Om dat om te buigen, moet het roer gewoon om. De KNVB neemt daarin het voortouw, ga ik van uit. Het congres van 15 december heeft vooralsnog, in mijn optiek, nauwelijks tot tastbare resultaten geleid. Althans, ik heb het niet gezien.

Ik wil gewoon weer vakidioten zien die van het spel houden en er alles voor over hebben om spelers beter te maken. Het is een gegeven dat de jeugd is veranderd en een andere aanpak vereist is. Daar zijn echter ook handvatten voor en uitdagingen te vinden om ze naar grotere hoogte te tillen. Talent is er zeer zeker wel.

En er is hoop, als zelfs een Hans Kraay het dedain van zich af heeft geschud en gewoon zijn diploma gaat halen.

Hans Bijvank