Geplaatst op 10 april 2017

Jaargang 24 – nr. 4 – oktober 2015

Van de voorzitter

Op 10 en 13 oktober 2015 spelen ‘we’ voor onze laatste minimale kans om ons nog te plaatsen voor het komende EK in Frankrijk. We hebben het echter niet meer in eigen hand. En dat is een trieste constatering na de behaalde derde plaats op het WK in Brazilië. Triest vind ik ook de wijze waarop de KNVB Guus Hiddink van het toneel heeft laten verdwijnen. Hiddink is in mijn ogen iemand die we in de toekomst nog wel eens goed zouden kunnen gebruiken in een technische (adviserende) functie. Zijn kennis en ervaring kunnen belangrijk zijn om ons voetbal weer daar naartoe te leiden waar we horen. Maar of Hiddink daar nu nog wel trek in heeft valt te betwijfelen. Door dezelfde achterdeur waardoor Hiddink is verdwenen, is ook Bert van Marwijk verdwenen. Ook iemand met kwaliteiten welke op dit moment volledig ontbreken in Zeist. De KNVB wordt bestuurd door bestuurders, en dat is ook prima. Maar dat zij ook op voetbaltechnisch gebied besluiten nemen zonder daarbij te worden bijgestaan, ondersteund en geadviseerd door mensen met voldoende voetbalverstand en ervaring in het topvoetbal is volstrekt onbegrijpelijk. Het wordt dan ook de hoogste tijd dat hier verandering in komt. In de organisatie van de KNVB dient zo snel mogelijk een sterke technisch directeur te worden aangesteld. Iemand die inhoudelijk verstand heeft van voetbal en alles wat daarmee samenhangt. Ik roep de clubs in zowel amateurvoetbal als ook in het betaald voetbal op dit punt te agenderen in de bondsvergadering en hierover zo snel mogelijk een besluit te nemen.

Dat de inhoudelijke kennis over voetbal ontbreekt bij de zittende bestuurders ondervinden wij als VVON ook regelmatig. En wanneer de KNVB dan ook nog eens gaat rotzooien met de bestaande regels en reglementen, dan wordt het al snel een grote puinhoop. In de vorige uitgave van dit magazine heb ik u al uitgebreid verslag gedaan van de situaties waarbij in het afgelopen seizoen onbevoegd werd getraind bij Kozakken Boys en RVVH, beide nu uitkomend in de zaterdag Topklasse. Ondanks de vele bewijzen die door de VVON zijn overlegd aan de KNVB heeft de KNVB geweigerd aangifte te doen bij de Tuchtcommissie. En dat vind ik nog steeds schandalig. Zoals al aangekondigd heeft de VVON toen zelf maar aangifte gedaan tegen beide clubs. De Tuchtcommissie heeft vervolgens beide clubs bestraft. Logisch, want zij overtreden de bestaande reglementen. Omdat RVVH in het verleden kennelijk een brief heeft gehad met een soort van dispensatietoezegging heeft RVVH de KNVB gedaagd in een kort geding. Door allerlei miscommunicatie binnen de KNVB, het verkeerd voorlichten van clubs en het versturen van foute informatie heeft de KNVB het niet gedurfd de confrontatie met RVVH aan te gaan. Men heeft RVVH – hoe belachelijk en onterecht ook – voor dit seizoen dispensatie gegeven tot 20 december 2015. Ik ben benieuwd wat er dan vanaf 20 december 2015 gaat gebeuren bij RVVH. Want ook dan is de zittende onbevoegde trainer nog steeds niet bevoegd. Ook daar heeft men kennelijk opnieuw niet goed over nagedacht en dan wacht weer een nieuw probleem, en opnieuw veroorzaakt door halfslachtig optreden van de KNVB. Verderop in dit magazine (pagina’s 16-17) meer uitleg en informatie over deze kwesties en het handelen van de KNVB.

Dat ook VVON-leden direct betrokken zijn bij dit soort onbevoegde constructies is voor ons als trainersvakbond extra zuur. Als bestuur hebben wij dan ook gemeend conform onze eigen statuten en reglementen te moeten optreden tegen deze leden. Inmiddels heeft de VVON drie van haar eigen leden voorlopig geschorst als lid van de VVON. Onlangs hebben wij gesproken met de KNVB over al die zaken die in onze ogen fout zijn gegaan. De KNVB heeft aangegeven zich bewust te zijn van het feit niet altijd goed te hebben gehandeld. Ook heeft de KNVB de toezegging gedaan om de VVON meer en beter te betrekken bij beleidsmatige en voetbaltechnische onderwerpen die het vak van trainer/coach raken. Deze toezeggingen hebben wij overigens al vaker gehad, maar als VVON hebben wij, in het belang van de kwaliteit van ons voetbal en het vak trainer/coach, de uitgestoken hand geaccepteerd. En dan nog een punt waar de VVON woedend over is. De KNVB heeft in al haar wijsheid besloten Hans Kraaij jr. toe te laten tot de opleiding UEFA A. Op het eerste oog zou je wellicht blij moeten zijn dat Kraaij jr. eindelijk, na vele jaren van onbevoegd trainen en onder druk van de VVON, bereid is de benodigde diploma’s te gaan halen. Maar hier ligt het toch even anders. Om toegelaten te worden tot de opleiding UEFA A zijn toelatingscriteria vastgesteld. Die criteria zijn op elke trainer die wenst 4 | DeTrainerCoach INHOUD 5 Wiljan Mossing Holsteyn (v.v. Flevo Boys) 11 Marcel L’Ami (Forum Sport A1) 16 Onbevoegd trainen, dispensaties en stromanconstructies 19 Arbeidsovereenkomsten: Wet Werk en Zekerheid 21 Sonny Hulst (keeperstrainer BFC) 26 Column Hans Bijvank VOORWOORD te worden toegelaten van toepassing. Kandidaten worden daarbij besproken en beoordeeld op basis van de geldende toelatingscriteria tijdens een toelatingsvergadering en indien nodig volgen er toelatingsgesprekken. De VVON is hierbij vertegenwoordigd als adviserend lid van de toelatingscommissie. Een belangrijk punt bij de toelating is dat onbevoegd trainen niet wordt meegeteld bij de beoordeling of iemand voldoende ervaring heeft opgedaan als trainer/coach. Kraaij jr. heeft dus geen enkele ervaring die mag meetellen bij toelating. Hij is namelijk bij al zijn werkzaamheden alleen maar onbevoegd bezig geweest. Iets waar de KNVB overigens ook steeds maar niets aan heeft gedaan. Daarnaast was de inschrijving voor toelating al lang gesloten en is het niet toegestaan/mogelijk om na het behalen van je UEFA B diploma (door Kraaij jr. behaald in mei 2015) direct door te gaan met UEFA A. De toelating van Kraaij jr. is dan ook onrechtmatig en voor de VVON onaanvaardbaar. Kraaij jr. is dus in dit geval beloond voor het feit dat hij jarenlang de boel heeft belazerd. Als beloning voor jarenlang onbevoegd trainen is hij nu dus via de achterdeur (dezelfde deur waardoor Hiddink en van Marwijk verdwenen) toegelaten tot de opleiding UEFA A. Navraag bij de KNVB heeft geleerd dat zij het ‘dossier’ Kraaij jr. graag wilden afsluiten en derhalve besloten hebben hem toe te laten. Een nonargument uiteraard. Een klap in het gezicht voor al die trainers die niet worden toegelaten omdat zij wel gehouden worden aan de geldende toelatingscriteria, die nooit onbevoegd hebben getraind, die steeds hebben meegedaan aan bijscholingen en die wel veel ervaring hebben als bevoegde trainer/coach.

Of zou het zo zijn dat de KNVB het handig vindt om iemand te hebben die het in de media af en toe opneemt voor de KNVB? Begin september zat Kraaij jr. bij Johan Derksen aan tafel. In die uitzending werd kritisch gesproken over Bert van Oostveen, directeur betaald voetbal. Het was toen Kraaij jr. die plotseling Bert van Oostveen ging verdedigen. Een opmerkelijke en opvallende steunbetuiging van Kraaij jr., waarna Derksen opmerkte: “Heb je misschien nog een diploma nodig van de KNVB?”. Bij navraag door de VVON is gebleken dat de toelating van Kraaij jr. mede is ondertekend door …….. Bert van Oostveen. Het kan allemaal toeval zijn, maar ik heb er ieder geval een vieze smaak van in mijn mond. Per brief heeft de VVON inmiddels zijn ongenoegen geuit bij de directie van de KNVB en gevraagd om opheldering. Ik wens u veel leesplezier toe en vergeet vooral niet om ook onze website regelmatig te raadplegen voor de diverse bijscholingen die dit najaar weer gaan plaatsvinden.

Arnold Westen

“Een assistent moet het per definitie niet met me eens zijn” -Wiljan Mossing Holsteyn, v.v. Flevo Boys

Het werken met René Felen heeft de ogen van Wiljan Mossing Holsteyn geopend. De trainer van Hoofdklasser v.v. Flevo Boys werkt op mentaal gebied met de teamstadia van Felen. “Eén nieuwe speler kan je terugwerpen in het teamproces.”

Tekst: Rogier Cuypers Beeld: Annalies Potters & Pim van der Maden

Wiljan Mossing Holsteyn had een aantal jaar geleden niet kunnen bevroeden dat hij hoofdtrainer zou zijn van een Hoofdklasser. Met een drukke baan in de sportvloerenbranche leek hem die combinatie niet haalbaar. “Destijds werd ik als assistent gevraagd bij WHC. Een prima functie, omdat ik niet het idee had dat een drukke baan goed te combineren was met een rol als hoofdtrainer. Toch prikkelde het me altijd wel. Op het CIOS heb ik al mijn oefenmeester I behaald, zodat ik de juiste papieren heb om op hoog amateurniveau te trainen.” Toch vond Mossing Holsteyn zijn beginnende rol als assistent een ideale. “Dat was fantastisch. Ik kon mooi over de schouder van de verantwoordelijke trainer meekijken”, blikt hij terug. “Toen ik eenmaal betrokken raakte bij het trainerschap van de senioren, greep het me. Ik was bereid om net wat meer uren te maken dan een gemiddelde werkweek van veertig uur. Na twee jaar assistentschap heb ik uiteindelijk voor het hoofdtrainerschap gekozen.”

De grootste deceptie werd Quick’20. Het zou zijn eerste klus in de Topklasse worden, maar nog voordat het seizoen begonnen was vertrok het merendeel van zijn selectie. Een kansloos seizoen volgde. “Dat was wel een teleurstellend seizoen, omdat de club besloot afscheid te nemen van spelers en ze geen vergoedingen betaalden aan jongens van het eerste elftal. Na een jaar ben ik weggegaan. Jammer, want ik wil overal graag drie seizoenen werken. Bij Flevo Boys ben ik echter net aan mijn vierde seizoen begonnen”, lacht hij.

Karakter

Hoe zou Mossing Holsteyn zichzelf karakteriseren? “Als ik moet kiezen, ben ik liever een goed mens dan een goede trainer. Die twee bijten elkaar echter niet. Wanneer je aan de spelers vraagt hoe ze me zien, dan zullen ze me duidelijk vinden. En iemand die veel aandacht besteedt aan de tactiek. Eén van mijn stokpaardjes is dat spelers onder mijn leiding beter worden. Sommige spelers kun je weliswaar niet beter maken op voetbaltechnisch vlak, maar wel als bijvoorbeeld leider of strateeg. Ik zou het enorm teleurstellend vinden als spelers aangaven onder mijn leiding niets geleerd te hebben. Dat zou ik zonde vinden.”

Verzorgd voetbal

Het is plezier dat de trainer de motivatie geeft om extra uren arbeid in zijn vak te stoppen. Het schouwspel dat hij dan tijdens de wedstrijd wil zien, moet hem bevallen. “Ik sta voor verzorgd voetbal. Een bal naar voren rossen en het de spits maar laten uitzoeken, daar heb ik niets mee. Een razendsnelle counter is een ander verhaal. Daar kan ik van genieten. Maar als je 25 tot 30 uur in de week met je vak bezig bent, dan wil ik tijdens trainingen en wedstrijden wel van het spel genieten. Dat doe ik gelukkig met enige regelmaat.”

Dat Mossing Holsteyn verzorgd voetbal wil, dat zal zijn ploeg weten ook. “In het begin gaf ik tot vervelends aan toe aan hoe ik wilde spelen: verdedigen, opbouwen, waar ik balbezit wilde en hoe we tot kansen moesten komen. De jongens kregen duidelijke kapstokken. Voetbaltechnisch was ik heel duidelijk, maar ik ben niet iemand van de strakke regels. Ben je één minuut te laat, dan sta je echt niet meteen wissel. Dat is te makkelijk. Ik wil juist niet altijd consequent zijn, dat vind ik te makkelijk. Menig trainer slaat zichzelf op de borst omdat ze zo consequent zijn. Dat is niet per definitie fout, maar ik weet dat ik het niet ben en het niet hoef te zijn. Ik doe de club en de spelers tekort als ik sancties opleg voor iedere mispeer die iemand begaat. Dan hoef ik niet na te denken of het gesprek aan te gaan en doe je alles volgens het boekje. Daarmee haal je in mijn ogen niet het maximale uit een groep. Dat is ook een onderdeel van mijn teamontwikkelingstraject: in gesprek blijven en niet bang zijn voor die gesprekken en conflicten. Daarmee haal je meer uit de speler dan wanneer je vooraf een aantal A4’tjes volkalkt met daarop de straffen voor bepaalde acties.”

Staf

De begeleidingstaf van Flevo Boys mag er zijn: naast Mossing Holsteyn maken een assistenttrainer, keeperstrainer, hersteltrainer, fysiotherapeut, verzorgster, leider, teammanager en een materiaalman deel uit van de staf. Onderlinge communicatie is derhalve van groot belang. “In het begin van het seizoen spreken we formeel met elkaar: wat is er goed gegaan en wat zijn de verbeterpunten? Dat formele doe ik het liefst aan één van de statafels in de kantine. We schrijven naar aanleiding van dat overleg specifieke plannen. Voor mijn vakantie zat ik nog samen met de assistent-, keepers- en hersteltrainer in mijn achtertuin. Door het jaar heen hebben we verder vaak informeel contact. De plannen die we schrijven hebben betrekking op de onderlinge samenwerking van de staf en op de samenwerking met de groep.”

Vrijwilligersfunctie

Een interessant onderwerp, zo ook voor Mossing Holsteyn, is hoe een betaalde kracht (zoals hijzelf) zich verhoudt tot een vrijwilliger (bijvoorbeeld de teammanager). Van de trainer mag het nodige verwacht worden. Hij krijgt daar immers een vergoeding voor. Maar wat kan hij als trainer eisen van zijn (vrijwillige) staf? “Dat is voor mij een interessant thema. Hoe krijg ik mijn vrijwillige staf zover dat ze bij mij en mijn assistent-trainer aansluiten bij wat wij vinden en willen. Wij zien onszelf als betaalde kracht en professional en dat bijt wel eens. De vrijwilliger wil toch een weekend naar Barcelona of een keer een wedstrijd of training laten schieten. Dat soort zaken is herkenbaar voor trainers in het amateurvoetbal.”

“Als professional wil je dat iedereen maximaal energie erin stopt”, vervolgt hij. “Maar we realiseren ons ook dat iemand een vrijwilliger is. De vraag blijft: wat kun je verwachten? Daar hebben we gesprekken over. Het is ook terecht dat mensen mij erop wijzen dat ik met grotendeels vrijwilligers werk. Uiteindelijk is het aan de club om een lijn te trekken en daar een uitspraak over te doen. Daar praat je met elkaar over, want wat verwacht een bestuur van een vrijwilliger? Goede vrijwilligers krijgen en houden is zo eenvoudig niet. Dat soort problematiek heb je niet bij een BVO. We kunnen niets eisen en dus moeten we zorgen dat hun taken uitdagend zijn, waardoor we betrokkenheid creëren. Bij Flevo Boys ben ik hier bijzonder tevreden over. Dat is niet bij elke club goed geregeld. Bij Quick’20 perfect, bij andere verenigingen konden ze vrij nemen wanneer ze wilden. Dan krijgt vrijwilligerswerk een vrijblijvend karakter. Onze taak is om het elastiek zo ver op te rekken dat het niet knapt, maar de prestaties maximaal zijn. Dat is praten, praten en nog eens praten met elkaar.”

Conflicten

De discussie gaat hij niet uit de weg. Met zijn staf praten over voetbal is juist iets dat hij graag doet. “Tegen mijn keeperstrainer en assistent zeg ik dat ze het per definitie niet met me eens moeten zijn. Ik ben een man van overleg, wil dingen samen doen. Ik neem de eindbeslissing, maar ga er graag over in discussie met ze. Al zijn ze het wel met me eens, hun eerste reactie moet zijn of mijn beslissing wel zo verstanding is. Een conflict is in mijn ogen niet per se iets negatiefs. Je wilt samen het maximale uit de groep halen. Zowel een speler als een assistent uitdagen vind ik interessant. Dat is net het kleine beetje extra voor een club waar ze al professioneel bezig zijn.” “Niet alleen van mijn staf, maar ook van mijn teammanager en fysiotherapeut verwacht ik een positief-kritische houding”, vervolgt hij. “Van ‘ja en amen’ wordt niemand beter. Ik zeker niet. En mijn doelstelling is niet alleen om de spelers beter te maken, maar ik wil zelf ook een betere trainer worden. Misschien niet eens op technisch-tactisch vlak, maar bijvoorbeeld op het gebied van sportpsychologie of organisatie. Ik zal mijn collega’s dus moeten uitdagen.”

Teamontwikkeling

Op het gebied van teamontwikkeling is Mossing Holsteyn een adept van René Felen. Door het sparren met Felen, consulent teamontwikkeling, heeft hij een hoop kennis opgedaan op het gebied van teamprocessen. Door middel van de verschillende fases (zie kader) weet de trainer tegenwoordig veel beter wat er in een team omgaat. “Marcel Groninger, trainer van HHC Hardenberg, is een goede vriend van mij. Hij liet zich door René adviseren. Zo kwam ik met hem in contact. Op het CIOS leer je veel van trainen en tactiek, maar niet over sportpsychologie. Daarmee kun je echter maximaal presteren en een team zich laten ontwikkelen. Ontzettend leerzaam om je daarin te verdiepen. Wat ontstaat er in een groep en hoe communiceer je dan met hen? Dat vind ik dus interessant.”

De eerste fase (beleefdheidsstadium) is volgens Mossing Holsteyn het eenvoudigst.

“Dan kom je na de vakantie bij elkaar. Iedereen is vrolijk en vertelt verhalen over de vakantie. En dan begin je lekker met trainen. In de positioneringsfase moet je als trainer keuzes maken en werk je naar een basisteam toe. Dat is rond september. Dan krijg je concurrentie en bestaat de kans op wrevel binnen de ploeg.” Het herkennen van die fases is stap één, vindt de trainer van Flevo Boys. “Wanneer je als coach jouw ploeg in die fases begeleidt, dan ben je al heel ver. Belangrijk is dat je veel vragen stelt. Dan daag je ze uit. Eén van de dingen die ik geleerd heb, is dat je als trainer nooit mag zeggen dat je hoopt dat iets gebeurt. Het gaat gewoon gebeuren. Je komt anders als trainer niet sterk over naar de groep. Wees duidelijk en krachtig. Zorg ook altijd dat je spelers bevraagt tijdens wedstrijdbesprekingen. Vraag hoe ze bepaalde wedstrijdsituaties zouden oplossen. Op die manier gaan ze samen in discussie en kunnen ze elkaar corrigeren.”

Herkennen van de stadia

Als trainer/coach is het belangrijk de verschillende stadia te herkennen, zodat je weet wat je binnen het teamproces te wachten staat. Maar hoe deed Mossing Holsteyn dat voordat hij met Felen in aanraking kwam? “Ik weet eigenlijk niet of ik destijds moeite had met het herkennen van de stadia. Om de simpele reden dat ik er geen beeld bij had. Natuurlijk weet je dat alles in het begin gezellig is en later de conflicten komen. Maar dat je fases echt kunt herkennen en afbakenen, dat wist ik niet. Stel: er komt een nieuwe speler in de winterstop. Dat kan zomaar betekenen dat er daardoor een conflict of machtstrijd ontstaat. Dan kan dat ervoor zorgen dat je uit de prestatiefase dondert en weer in de positioneringsfase belandt. Als je dat herkent, kun je het voor zijn. Anticiperen in plaats van reageren.” Als trainer/coach stel je jezelf natuurlijk ten doel dat je in de prestatiefase wilt komen. Maar het is niet zo dat je elk seizoen de verschillende stadia doorloopt. “Ik heb geleerd dat je lang niet altijd in de prestatiefase belandt. Er zijn seizoenen geweest dat ik met mijn ploeg alleen maar in de positioneringsfase zat. Veel gesprekken en veel negatieve emoties door verliespartijen. Het streven is de prestatiefase, maar niet om daar zo snel mogelijk te komen. Wel om er zo lang mogelijk in te blijven. Het is een langdurig proces geweest. René en ik hadden elke maandag telefonisch contact. Dan vertelde ik hem wat er gebeurd was en stelde hij vervelende vragen, zodat ik met mijn mond vol tanden stond, haha. Dan kreeg ik weer huiswerk voor de week erna. Ik heb die samenwerking als zeer plezierig en leerzaam ervaren.”

Lastige fase

Dat het beleefdheidsstadium voor een trainer prettig werken is, staat buiten kijf. Geen problemen, vrolijke spelers. Maar wat vindt Mossing Holsteyn een lastige fase om als trainer actief in te zijn? “Op zich heb ik niet zoveel moeite met conflicten met spelers. Voor geen enkele trainer kost het moeite om in de beleefdheidsfase te zitten. Bij dit model valt of staat het of je in staat bent taakgericht en relatiegericht leiding te geven. De karaktereigenschappen van betaalde krachten maken het makkelijk om dit te doen. Een valkuil kan echter zijn dat je als trainer jouw spelers te snel vertelt wat ze moeten doen. Dat zit wel in mijn karakter. Ook als er thuis iets ondernomen moet worden, neem ik het heft in handen en zorg ik voor oplossingen. Die impuls kan ik door de hulp van René goed onderdrukken.” Iedereen over één kam scheren hoort ook niet bij de werkwijze van de oefenmeester. “Op een gegeven moment hadden we moeite met een speler uit een andere cultuur. In Nederland zijn we nogal van de ‘gelijke monniken, gelijke kappen’. We doen dit als groep, dus jij ook als individu. René was de eerste binnen mijn kennissenkring uit de voetballerij die aan mij vroeg: ‘wat wil je bereiken?’. Uiteraard wilde ik zo goed mogelijk presteren. Dan moest ik mijn spelers niet over één kam scheren. Dat deden we altijd wel. Als een bepaalde keuze bijdraagt aan het structureel beter presteren bij een speler, moet je dat gaan herkennen. Een jongen uit een andere cultuur heeft andere normen en waarden. Ik was gewend om alles met de hele groep te bespreken, maar als iemand daar echt moeite mee heeft, dan moet je daar een uitzondering voor maken. Een trots iemand kan daar namelijk negatief op reageren. Dus ook op die manier probeer ik spelers beter te maken door ze zich prettig te laten voelen.”

De omschakeling - Marcel l’Ami, Forum Sport A1 De

Marcel l’Ami van Forum Sport A1 besteedt veel aandacht aan de omschakeling. En met succes, want zijn ploeg werd mede door dat geheime wapen vorig seizoen glansrijk kampioen in de vierde divisie. De trainer vertelt VVONleden met alle plezier waarom hij de omschakeling zo belangrijk vindt in het hedendaagse voetbal, hoe hij het zijn spelers leert en hoe hij vindt dat het uitgevoerd moet worden.

Tekst: Jeroen Bolk Beeld: Gerrit van Keulen

L’Ami heeft niet veel tijd nodig om met een antwoord op de proppen te komen als ik hem vraag wat de omschakeling zo belangrijk maakt voor hem. Onlangs riep Co Adriaanse bij Studio Voetbal dat de nieuwe generatie trainers te veel nadruk legt op het verdedigende aspect: eerst de boel dichttimmeren en dan pas aan aanvallen denken. L’Ami mag met zijn 52 jaar en schat aan ervaring al lang geen beginnend trainer meer genoemd worden, maar is wel een aanhanger van de zojuist geschetste filosofie. “Ik vind het belangrijk om de macht over de wedstrijd te hebben. Als je balbezit hebt, dan kan de tegenstander niet gevaarlijk worden. Hoe sneller je in balbezit bent, hoe beter dat dus is.” ”Heel veel wedstrijden worden op details beslist. Je kunt heel veel bereiken met een goede en snelle omschakeling. Je kunt ervan profiteren of er juist mee om je oren geslagen worden. Daarom is het ook zo belangrijk dat verdedigen al in de voorhoede begint. Schakelen de aanvallers niet goed om na balverlies, dan komt het middenveld in de problemen en moet er van achteruit een speler doorschuiven. Dan kom je een op een te staan en dat is een risico. Je moet de linies kort houden. Als dat niet goed gaat, dan ben je als elftal heel kwetsbaar.”

Goed staan

De trainer leert het zijn spelers door vooral veel kleine partijvormen met maximale weerstand te spelen tijdens de training. Tijdens die oefenvormen let hij erop of zijn spelers goed staan opgesteld. Staat iemand niet goed, dan ondervindt het hele elftal daar hinder van. “Goed staan houdt in dat je als middenveld kunt herstellen van balverlies en dat je dus zo snel mogelijk als ploeg achter de bal kan komen. Daardoor kan je de snelheid uit de tegenaanval halen. Als wij de bal veroveren, dan moeten we de ruimte meteen zo groot mogelijk maken met slimme loopacties. We zijn als het ware een harmonica, die in en uit elkaar schuift.” L’Ami is een liefhebber van het spelletje en kijkt dan ook veel wedstrijden. Met zijn spelers praat hij er veel over, ook niet zelden over de omschakeling. Doet een goed voorbeeld zich voor, waaruit blijkt hoe de omschakeling wel of juist niet uitgevoerd moet worden, dan gooit hij dat in de groep. Bijvoorbeeld nog toen Ajax uit speelde tegen FK Jablonec. Riechedly Bazoer stond helemaal verkeerd opgesteld, waardoor hij een overtreding moet maken om zich te herstellen en rood krijgt. “Maar belangrijker is het om het idee tijdens de trainingen zichtbaar te maken voor de jongens. Dat is allemaal op hun eigen niveau, waardoor ze het sneller herkennen.”

Inschuiven

”Wij spelen 1:4:3:3. Als wij de bal willen veroveren, dan moet mijn centrale duo om en om inschuiven. Je kunt nooit zeggen dat de voorstopper steeds moet inschuiven, want het ligt er maar net aan wie er van het centrale duo het beste voorstaat. Degene die er het beste voorstaat, die moet uiteindelijk inschuiven. Dat houdt ook in dat ze goed op elkaar moeten letten, want je moet voorkomen dat ze allebei tegelijkertijd inschuiven. Dat is een kwestie van op elkaar afstemmen. Maar als je al lang met elkaar samenspeelt, dan gaat dat een stuk makkelijker.”

De juiste momenten kiezen

Een handige oefening bij het trainen van de omschakeling, is de oefening waarbij het team de bal binnen een aantal seconden dient te heroveren. Het is niet voor niets dat een club als Vitesse, dat graag aan de bal is, deze tactiek ook in de wedstrijden hanteert. L’Ami ziet daar echter niets in voor zijn eigen ploeg. “Wij werken niet met een secondenregel. Het gaat er volgens mij om dat de spelers de juiste “

ALS JE BALBEZIT HEBT, DAN KAN DE TEGENSTANDER NIET GEVAARLIJK WORDEN. HOE SNELLER JE IN BALBEZIT BENT, HOE BETER DAT DUS IS” JEUGDTRAINER

momenten kiezen om het veld klein te maken en vervolgens weer groot te maken. Dat gaat steeds beter, maar we kunnen er nog veel meer winst uit halen. Drukzetten heeft niet veel nut als de onderlinge afstanden te groot zijn. Daarom moet je dus eerst zorgen dat de ruimtes klein zijn. Wij trainen veel wedstrijdgerichte oefenvormen. Daar zit ook het conditionele aspect in, want je moet de ruimte steeds klein en dan weer groot maken. Bij kleine ruimtes wordt er qua techniek veel van een speler verwacht, het is moeilijker om je staande te houden.”

Als ik puur de omschakeling wil trainen, dan doe ik dat bijvoorbeeld met de volgende oefenvorm. Ik pak twee grote goals, die op ongeveer twintig meter van elkaar af staan. Ik verdeel de groep in twee groepen. Heb ik achttien spelers, dan worden het dus twee teams van negen spelers. Iedere speler geef ik een nummer, zodat je per team een nummer een tot en met negen hebt. We beginnen de oefening met een partijtje van vijftien seconden een tegen een. Scoort iemand, dan krijgt hij van zijn eigen keeper meteen de bal. Er moet dus gelijk omgeschakeld worden. Na vijftien seconden spelen de nummers twee en drie tegen elkaar, waarna na 45 seconden de nummers vier, vijf en zes hen aflossen. De nummers zeven, acht, negen en een spelen daarna zestig seconden tegen elkaar. Daarna start de serie bij de nummers twee weer opnieuw. De winnaar van een serie krijgt drie punten. Bij deze oefening moet je constant omschakelen. Speel je een tegen een, dan zijn de ruimtes groot. Maar als je vier tegen vier speelt, dan doe je dat in een hele kleine ruimte. Er zit ook technisch vermogen en het conditionele aspect in. Datzelfde geldt voor ieder wedstrijdelement. Het competitieelement haalt het beste in de spelers naar boven. De spelers gaan er helemaal in op en vinden het net als ik een geweldige oefening.”

Voorwaarden

Volgens L’Ami valt of staat alles met het hebben van een goede conditie. Zijn de spelers conditioneel niet in orde, dan bestaat de kans dat ze het snelle omschakelen – dat veel energie kost – niet de hele wedstrijd kunnen volhouden. Daarnaast moet je natuurlijk ook spelers in je team hebben, die dat kunnen invullen. “Je moet spelers in je team hebben zitten, die in het veld het verlengstuk van de trainer kunnen zijn. In de wedstrijd moet je als trainer je spelers loslaten, dus moet je spelers hebben die het getrainde in de praktijk kunnen brengen. Wij hebben een paar jongens, die dat kunnen bewerkstelligen. Mijn ‘tien’ bijvoorbeeld, is hier heel erg belangrijk in. Hij leest het spel goed en geeft de momenten aan dat we druk gaan zetten. Als bijvoorbeeld een mindere opbouwer van de tegenstander aan de bal komt, dan sluiten we hem zo snel mogelijk in, we proberen hem naar de zijkant te duwen en dan geeft mijn ‘tien’ het seintje dat onze achterhoede door kan schuiven en het middenveld naar de balkant moet kantelen.”

Rol van de keeper

Ook de rol van de keeper mag in dit proces niet onderschat worden, zo vindt L’Ami. “Als wij druk gaan geven van achteruit, is het belangrijk dat de keeper meedoet en uit zijn goal durft te komen. Als de tegenstander een lange bal geeft, dan heb je namelijk een behoorlijke ruimte achter je verdediging. Als een keeper dan nog in zijn goal staat, dan kan een aanvaller een op een komen. Maar als je keeper ver uit zijn goal staat, dan kan hij veel diepe ballen onderscheppen, zelfs zonder dat hij het duel aan hoeft te gaan.”

De trainer is zich ervan bewust dat dat de ene keeper makkelijker afgaat dan een ander. “Sommige keepers vinden het eng en die gaan dan tegen hun natuur in, omdat wij als begeleiding willen dat hij dat doet. Daar worden ze onzeker van en dat is soms best lastig. Zowel voor hem als voor ons. Maar dat hoort bij het proces. Daar heb ik het ook wel eens met mijn broer (Carlo, keeperstrainer van Ajax) en de keeperstrainers van Forum Sport over. Zij adviseren mij om in de coaching te laten blijken wanneer een keeper het goed doet. En op de training kan je bijvoorbeeld een afgebakende ruimte creëren waar de bal in kan vallen en waar je verwacht dat hij die ballen moet onderscheppen. Daardoor kan je hem dat beetje zelfvertrouwen geven wat hij nodig heeft om die spanning kwijt te raken.”

Elkaar corrigeren

De kampioenenmaker heeft de luxe dat hij over een team beschikt dat al lang met elkaar samenspeelt. Verzaakt een speler, dan wijst de rest van het team hem daarop. “Ze corrigeren elkaar. Dat is het mooiste wat je als trainer kunt hebben. Je wilt dat ze elkaar gaan corrigeren. In het veld staan zij dichter bij elkaar, dan jij bij hen staat. Daardoor kan een trainer zijn spelers in het veld niet zo veel sturen.” Toch laat L’Ami dat niet altijd alleen aan zijn spelers over. Verzaken hoeft namelijk niet altijd te betekenen dat iemand niet de motivatie heeft om zijn taken in het veld goed uit te voeren. Het kan ook betekenen dat hij het ‘gewoon’ niet snapt. In dat soort situaties neemt de trainer zijn verantwoordelijkheid. “De een begrijpt het sneller dan een ander. Dan is het de taak van een trainer om buiten het veld, bijvoorbeeld op het bord, handvatten aan te reiken en zo proberen uit te leggen wat hij van hem verwacht. Het is gebleken dat je dan geleidelijk aan verbetering ziet.”

“DRUKZETTEN HEEFT NIET VEEL NUT ALS DE ONDERLINGE AFSTANDEN TE GROOT ZIJN”

Effectief

Zoals eerder vermeld, wierp alle arbeid vorig seizoen zijn vruchten af. “De omschakeling was kenmerkend voor ons elftal. We stonden heel goed, kregen maar zeventien of achttien tegendoelpunten en maakten er zelf meer dan honderd. Van die doelpunten denk ik dat zeker 25% uit de omschakeling is ontstaan. Die statistieken zeggen genoeg. Het is niet voor niets dat onze spits halverwege het seizoen al bij Forum Sport 1 aansloot. Daar doen we het ook voor bij Forum Sport: de jeugd door laten schuiven naar het eerste elftal. Er spelen nu zes of zeven jongens in het eerste, die bij mij in de A1 gespeeld hebben.” Vorig jaar leunden L’Ami en zijn spelers veel op hun spits, die een groot deel van de doelpuntenproductie voor zijn rekening nam. Nu hij geen onderdeel meer van het team uitmaakt, moeten anderen die rol op zich nemen. “We moeten nu zorgen dat er meerdere spelers voor de goal kunnen komen. Dat proberen we met loopacties in de diepte te realiseren. Daar trainen we op: hoe kunnen we sneller voor de goal komen met onze middenvelders in samenwerking met onze spits? Dat is op dit moment nog niet goed, maar daar werken we hard aan en ik ben ervan overtuigd dat het dit jaar wel goed gaat komen. Al zullen we nu niet weer meer dan honderd doelpunten maken. Zeker niet in de derde divisie, haha.’

Onbevoegd trainen, dispensaties en stromanconstructies

Via diverse media heeft u de afgelopen maanden de ontwikkelingen rondom een aantal verenigingen kunnen volgen waar het ging om onbevoegd trainen en/of coachen c.q. het overtreden van Artikel 17 Algemeen Reglement KNVB. De VVON hecht er bijzonder veel waarde aan om in dit artikel aan onze leden duidelijkheid te verschaffen omtrent de gevolgde procedures, de rol van de VVON, de genomen besluiten door de KNVB en de uiteindelijke gevolgen hiervan. Het zal niemand verbazen dat de KNVB in deze een belangrijke rol heeft gespeeld en die rol heeft tot een aantal, voor de VVON, onbegrijpelijke en soms ook onaanvaardbare beslissingen geleid.

Beeld: Gerrit van Keulen

Rol en positie VVON

Welke rol speelt de VVON versus de KNVB? De VVON is adviserend lid van de KNVB Ledenraad Amateurvoetbal. Om die rol goed te kunnen invullen is het dus noodzakelijk dat de VVON tijdig wordt betrokken bij voetbaltechnische onderwerpen die direct of indirect raakvlakken hebben met de rol en positie van de trainer/coach. Hierbij kun je denken aan advisering rondom de inhoud van de opleiding van de trainer/coach, de bevoegdheden van de trainer/coach, de toelating tot de diverse opleidingen, dispensatieverzoeken van verenigingen etc. In september heeft de VVON met de KNVB aan tafel gezeten om te spreken over onze rol en positie. De VVON is en was namelijk zeer ontevreden over een aantal door de KNVB genomen besluiten en de wijze waarop de VVON daarbij is betrokken. De KNVB heeft toegegeven niet altijd juist te hebben gehandeld, waardoor een aantal ‘ongelukkige’ besluiten zijn genomen. Zij hebben beterschap beloofd.

Artikel 17 Algemeen Reglement

In het per 1 januari 2015 aangepaste artikel 17 van het Algemeen Reglement staat exact omschreven wat de rol van de hoofdtrainer/coach dient te zijn, met de daarbij behorende taken. De VVON staat op het standpunt dat de regels in genoemd artikel strikt door alle verenigingen/ trainer/coaches op elk niveau moeten worden nageleefd. Een aantal verenigingen heeft zich structureel vanaf januari 2015, en uiteraard ook al lang daarvoor, niet aan de in artikel 17 omschreven regels gehouden. VVON DeTrainerCoach | 17 Vandaar dat de VVON in actie diende te komen, mede om de belangen van onze ruim 4000 leden te beschermen. Uiteraard heeft de VVON dat ook al eerder gedaan, maar dit had tot op heden nooit geleid tot aangiftes bij de Tuchtcommissie. De VVON was echter vastbesloten nu wel een uitspraak af te dwingen rondom de naleving van Artikel 17.

DOVO

DOVO (Veenendaal), uitkomend in de hoofdklasse A van het zaterdagvoetbal, heeft een bevoegde trainer/coach (Jeroen Peters, lid VVON) in dienst. Hij beschikt over het vereiste TC I diploma en de daarbij behorende UEFA A-licentie. Hans Kraaij stond als technisch directeur te boek en verzorgde de coaching tijdens de wedstijden en stond na afloop de media te woord. Na diverse waarnemingen van VVON-zijde is DOVO, middels een brief van de KNVB, te verstaan gegeven dat de gehanteerde trainersconstructie niet in overeenstemming was met artikel 17 van het Algemeen Reglement. DOVO diende terstond de trainersstaf in overeenstemming met artikel 17 van het AR in te richten. DOVO heeft hierop positief gereageerd en Jeroen Peters verzorgt vanaf dat moment de wedstrijd coaching en staat na afloop de pers te woord. Hans Kraaij staat nu te boek als assistenttrainer en gedraagt zich ook als zodanig. Hans Kraaij heeft in mei 2015 zijn TC III en TC II opleiding afgerond. Uiteraard zal de VVON de situatie bij DOVO scherp in de gaten houden en wanneer daartoe aanleiding bestaat stappen ondernemen.

Toelating Kraaij

jr. UEFA A opleiding Zoals u al heeft kunnen lezen in het voorwoord van onze voorzitter is de VVON woedend over de toelating van Kraaij jr. tot de UEFA A opleiding. Opnieuw neemt de KNVB het niet zo nauw met haar eigen regels. En erger nog, het betreft hier de toelating van iemand die jarenlang structureel onbevoegd heeft getraind, en nu dus door de KNVB zelfs wordt beloond voor dit feit. Het niet consequent hanteren van de geldende toelatingscriteria zou zomaar eens kunnen leiden tot precedentwerking. We kunnen in ieder geval constateren dat de zorgvuldigheid rondom dit besluit volledig ontbreekt. Dit roept bij ons dan ook serieuze vragen op. In een brief aan de KNVB hebben wij in ieder geval duidelijk gemaakt dat wij de toelating van Kraaij jr. volstrekt onaanvaardbaar vinden en uitleg willen van de directie van de KNVB (Van Oostveen/Van der Zee).

RVVH

RVVH (Ridderkerk), vorig seizoen nog uitkomend in de hoofdklasse B van het zaterdagvoetbal, kent wat onbevoegd trainen en de stromanconstructie betreft een lange voorgeschiedenis. Reeds vanaf september 2013 verzorgt Giovanni Franken (lid VVON) de wedstrijd coaching en staat na afloop de media te woord. Giovanni Franken is slechts in het bezit van een UEFA B-licentie en dus onbevoegd voor dit niveau. Vanaf september 2013 heeft RVVH gebruik gemaakt van zogenaamde stromanconstructies, met daartussen in een dispensatie van ruim vier maanden. Te gek voor woorden!!! Adri van Tiggelen dacht aan het begin van de competitie 2013/2014 op te zullen gaan treden als hoofdtrainer/coach van RVVH. Als snel bleek dat hij de wedstrijd coaching en het te woord staan van de pers aan Giovanni Franken moest overlaten. Daar paste Adri van Tiggelen terecht voor, hij liet zich niet inlenen om als zogenaamde stroman te fungeren voor Giovanni Franken en leverde halverwege september 2013 zijn contract in. RVVH slaagde erin om bij district West 2 dispensatie te verkrijgen voor een periode van, u leest het goed, vier maanden!! Overigens zonder advies in te winnen van de VVON, iets wat gebruikelijk is bij het verlenen van dispensaties. Het district West 2 van de VVON heeft hierover in een persoonlijk gesprek met de manager van district West 2 van de KNVB zijn beklag gedaan. Na deze dispensatie werd de heer Cor Lems (lid VVON) aangesteld als hoofdtrainer/coach. Ook hij verdween in mei 2015 van het toneel omdat hij de druk van de buitenwacht en de VVON niet meer aan kon, zo was de uitleg althans. In tegenstelling tot Adri van Tiggelen liet Cor Lems zich wel gebruiken als zogenaamde stroman. In de praktijk was Giovanni Franken al die tijd de verantwoordelijke hoofdtrainer/coach. Hij deed de wedstrijd coaching en stond nog steeds de pers te woord. De VVON heeft vanaf januari 2015, in talloze objectieve waarnemingen, uitgevoerd door diverse VVON-functionarissen, geconstateerd dat RVVH zich bediende van een trainersconstructie die niet in overeenstemming was met artikel 17 van het AR. De KNVB is hierover, middels uitvoerig door de VVON opgebouwde dossiers, ingelicht en gevraagd treffende maatregelen te nemen. Ook de KNVB heeft middels eigen controles de geconstateerde overtredingen waargenomen. Daarop is RVVH door de KNVB per brief gesommeerd de gegeven de trainersconstructie aan te passen, in overeenstemming met artikel 17 van het AR. Giovanni Franken heeft welgeteld twee wedstrijden (Spijkenisse – RVVH en RVVH – Noordwijk) niet gecoacht. Daarna is men vervallen in de oude fout. De VVON heeft daarop de KNVB verzocht aangifte te doen bij de landelijke tuchtcommissie. Ook dit antwoord van de KNVB raadt u al. Alhoewel Cor Lems reeds vanaf begin mei 2015 niet meer in functie is bij RVVH wenste de KNVB niet aan het verzoek van de VVON te voldoen. De VVON restte niets anders dan ook in dit geval zelf aangifte te doen bij de landelijke tuchtcommissie. Doordat RVVH in de nacompetitie belandde kon RVVH, na het opstappen van de Cor Lems, op het digitaal wedstrijdformulier (DWF) geen bevoegde trainer/coach invullen. Bij de zevende overtreding op het DWF heeft de KNVB aangifte gedaan tegen RVVH bij de tuchtcommissie. De tuchtcommissie heeft RVVH hiervoor een boete opgelegd van € 750,-. De tuchtzaak die de VVON tegen RVVH had aangespannen tegen het onbevoegd optreden van Giovanni Franken als trainer/coach heeft de landelijke tuchtcommissie niet ontvankelijk verklaard. De reden van de niet ontvankelijk verklaring is dat RVVH niet twee keer voor hetzelfde vergrijp bestraft zou kunnen worden. De mening van de VVON staat hier haaks op, omdat gemaakte fouten op 18 | DeTrainerCoach het DWF iets totaal anders is dan het, gedurende een lange periode, onbevoegd optreden als hoofdtrainer/coach. De VVON neemt met deze uitleg geen genoegen en zal op korte termijn hierover met de KNVB in overleg treden. Op het verzoek van RVVH om Giovanni Franken dispensatie te verlenen om in het voetbalseizoen 2015/2016 op te mogen treden als verantwoordelijk hoofdtrainer/coach heeft de KNVB negatief gereageerd. RVVH baseerde zich bij zijn aanvraag op het feit dat aan Heinenoord/ Ralph Kalkman wel, overigens ten onrechte, dispensatie is verleend. Daarop heeft RVVH een kort geding aangespannen bij de voorzieningenrechter. De KNVB heeft het uiteindelijk niet aan willen laten komen op een uitspraak van de voorzieningenrechter en het Bondsbestuur heeft RVVH uitstel gegeven tot 20 december 2015 om een bevoegde hoofdtrainer/coach aan te stellen. Ook dit is weer een vreemde beslissing waar kennelijk opnieuw niet goed over is nagedacht. Vanaf 20 december 2015 ontstaat namelijk opnieuw hetzelfde probleem. Per september 2015 is Giovanni Fanken begonnen aan zijn UEFA A opleiding, maar hij zal deze nog niet hebben afgerond op 20 december 2015. Bij RVVH ontstaat dan opnieuw een onbevoegde situatie. En wat dan?

Kozakken

Boys Kozakken Boys (Werkendam), uitkomend in de Topklasse van het zaterdagvoetbal, bedient zich ook van een trainersconstructie die niet voldoet aan de regels van artikel 17 van het AR. Kozakken Boys heeft een bevoegd trainer/coach, Arie Schep (lid VVON), in dienst. Hij is in het bezit van het vereiste TC I diploma met de daarbij behorende UEFA A licentie. Echter, de taken van de hoofdtrainer/coach, t.w. de wedstrijd coaching en het te woord staan van de media, worden/werden uitgevoerd door de onbevoegde trainer Danny Buijs. Hij is slechts in het bezit van het TC II diploma en mag als zodanig die taken dus helemaal niet uitvoeren. De VVON heeft ook in dit geval, middels talloze uitvoerig en uitgebreid opgebouwde dossiers, geconstateerd dat Kozakken Boys zich niet aan de regels in artikel 17 van het AR hield. Daarop is aan de KNVB verzocht handelend en corrigerend op te treden. Kozakken Boys heeft hierover een brief van de KNVB ontvangen dat men met onmiddellijke ingang de trainersconstructie aan moest passen aan het gestelde in artikel 17 van het AR. Na zich enkele wedstrijden wel aan de gemaakte afspraken te hebben gehouden, is Kozakken Boys weer in de oude fout vervallen. Ook in dit geval wenste de KNVB geen aangifte te doen bij de landelijke tuchtcommissie, waarop de VVON niets anders restte dan wederom zelf aangifte te doen. De uitspraak van de tuchtcommissie resulteerde in het feit dat Kozakken Boys schuldig is bevonden. De tuchtcommissie heeft Kozakken Boys een boete opgelegd van € 500,- en ook Danny Buijs is schuldig bevonden. Hem is een boete opgelegd van € 250,- en een voorwaardelijke functieontzegging van acht wedstrijden met een proeftijd van één jaar. Danny Buis volgt momenteel ook de TC I opleiding. Een misverstand is dat velen, verenigingen en trainer/coaches, denken dat toelating tot een KNVB-trainersopleiding recht zou geven op dispensatie om te trainen op een naast hoger gelegen niveau. En dat is absoluut niet waar. Kozakken Boys zal deze voetbaljaargang dus op de voet worden gevolgd op strikte naleving van artikel 17 van het AR. Mocht Kozakken Boys geen gevolg geven het besluit van de tuchtcommissie dan rest de VVON niets anders dan de KNVB opnieuw te vragen aangifte te doen. Dit met alle gevolgen van dien.

‘TOELATING TOT EEN KNVBTRAINERSOPLEIDING GEEFT GEEN RECHT OP DISPENSATIE OM TE MOGEN TRAINEN OP EEN NAAST HOGER GELEGEN NIVEAU DAN WAARVOOR MEN AL BEVOEGD IS’

VVON-leden die zich laten inlenen als zogenaamde stroman, m.a.w. hun diploma/licentie beschikbaar stellen aan andere, niet bevoegde trainer/coaches voor het niveau waarop men actief is, overtreden artikel 6 en artikel 7 van de Statuten van de VVON. Deze leden lopen het risico, conform de statuten van de VVON, voorlopig te worden geschorst en eventueel geroyeerd door de algemene vergadering van de VVON. Het zal u dus niet verbazen dat de trainer/coaches bij de hierboven genoemde verenigingen die zich schuldig hebben gemaakt aan de zogenaamde stromanconstructie (en lid zijn van de VVON) door het bestuur van de VVON voorlopig zijn geschorst.

Bestuur VVON

Wet Werk en Zekerheid (WWZ)

Met ingang van 1 juli 2015 is de Wet Werk en Zekerheid (hierna: WWZ) in werking getreden. In het nieuwe artikel 7:669 BW is vermeld in welke gevallen de werkgever de arbeidsovereenkomst met de werknemer kan opzeggen. Volledigheidshalve is de volledige tekst van het genoemde artikel hieronder weergegeven.

Tekst: R. Beele | Beeld: Shutterstock

Artikel 669
1. De werkgever kan de arbeidsovereenkomst opzeggen indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Herplaatsing ligt in ieder geval niet in de rede indien sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer als bedoeld in lid 3, onderdeel e.
2. Herplaatsing, bedoeld in lid 1, is niet vereist, indien de werknemer een geestelijk ambt bekleedt.
3. Onder een redelijke grond als bedoeld in lid 1 wordt verstaan: a. het vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van de beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming of het, over een toekomstige periode van ten minste 26 weken bezien, noodzakelijkerwijs vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van het wegens bedrijfseconomische omstandigheden treffen van maatregelen voor een doelmatige bedrijfsvoering; Met ingang van 1 juli 2015 is de Wet Werk en Zekerheid (hierna: WWZ) in werking getreden. In het nieuwe artikel 7:669 BW is vermeld in welke gevallen de werkgever de arbeidsovereenkomst met de werknemer kan opzeggen. Volledigheidshalve is de volledige tekst van het genoemde artikel hieronder weergegeven. Tekst: R. Beele | Beeld: Shutterstock JURIDISCH b. ziekte of gebreken van de werknemer waardoor hij niet meer in staat is de bedongen arbeid te verrichten, mits de periode, bedoeld in artikel 670, leden 1 en 11, is verstreken en aannemelijk is dat binnen 26 weken geen herstel zal optreden en dat binnen die periode de bedongen arbeid niet in aangepaste vorm kan worden verricht; c. het bij regelmaat niet kunnen verrichten van de bedongen arbeid als gevolg van ziekte of gebreken van de werknemer met voor de bedrijfsvoering onaanvaardbare gevolgen, mits het bij regelmaat niet kunnen verrichten van de bedongen arbeid niet het gevolg is van onvoldoende zorg van de werkgever voor de arbeidsomstandigheden van de werknemer en aannemelijk is dat binnen 26 weken geen herstel zal optreden en dat binnen die periode de bedongen arbeid niet in aangepaste vorm kan worden verricht; d. de ongeschiktheid van de werknemer tot het verrichten van de bedongen arbeid, anders dan ten gevolge van ziekte of gebreken van de werknemer, mits de werkgever de werknemer hiervan tijdig in kennis heeft gesteld en hem in voldoende mate in de gelegenheid heeft gesteld zijn functioneren te verbeteren en de ongeschiktheid niet het gevolg is van onvoldoende zorg van de werkgever voor scholing van de werknemer of voor de arbeidsomstandigheden van de werknemer; e. verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer, zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren; f. het weigeren van de werknemer de bedongen arbeid te verrichten wegens een ernstig gewetensbezwaar, mits aannemelijk is dat de bedongen arbeid niet in aangepaste vorm kan worden verricht; g. een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren; h. andere dan de hiervoor genoemde omstandigheden die zodanig zijn dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.
4. Tenzij schriftelijk anders is overeengekomen, kan de werkgever de arbeidsovereenkomst eveneens opzeggen tegen of na de dag waarop de werknemer de in artikel 7a, lid 1, van de Algemene Ouderdomswet bedoelde leeftijd heeft bereikt, of, indien voor hem een afwijkende pensioenleeftijd geldt, de leeftijd heeft bereikt waarop voor hem recht op pensioen ontstaat, indien de arbeidsovereenkomst is aangegaan voor het bereiken van die leeftijd.
5. Bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid worden: a. nadere regels gesteld met betrekking tot een redelijke grond voor opzegging, de herplaatsing van de werknemer en de redelijke termijn, bedoeld in lid 1, waarbij onderscheid kan worden gemaakt naar categorieën van werknemers; b. regels gesteld voor het bepalen van de volgorde van opzegging bij het vervallen van arbeidsplaatsen, bedoeld in lid 3, onderdeel a.
6. De regels, bedoeld in lid 5, onderdeel b, zijn niet van toepassing indien bij collectieve arbeidsovereenkomst of regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan, andere regels worden gesteld voor het bepalen van de volgorde van opzegging bij het vervallen van arbeidsplaatsen, bedoeld in lid 3, onderdeel a, en een onafhankelijke commissie als bedoeld in artikel 671a, lid 2, wordt aangewezen.
7. Dit artikel is niet van toepassing op een opzegging tijdens de proeftijd.

Voetbalwerkgever

De werkgever die het voornemen heeft om de arbeidsovereenkomst op te zeggen op grond van artikel 7: 669 lid 3, onderdeel a of b BW (vervallen van de arbeidsplaats en ziekte of gebrek werknemer) heeft voor deze opzegging schriftelijk toestemming nodig van het UWV. Al het voorgaande geldt uiteraard ook voor de voetbalwerkgever. Kortom, de voetbalwerkgever kan in geval van het vervallen van de arbeidsplaats en in geval van ziekte of gebrek van de trainer/coach voor een rechtsgeldige opzegging van de arbeidsovereenkomst terecht bij het UWV. Daarbij moet worden opgemerkt dat het vervallen van de arbeidsplaats van de trainer/coach niet vaak zal voorkomen. Voor de functie in het kader van de technische ondersteuning (bijvoorbeeld Hoofd Jeugdopleiding) geldt dat uiteraard in mindere mate. De voetbalwerkgever kan besluiten deze functie te laten vervallen vanuit (bijvoorbeeld) kostenoverwegingen. Daarbij moet wel worden gelet op de 26 weken termijn waarbinnen geen ander Hoofd Jeugdopleiding mag worden benoemd. Vanwege de exclusieve bevoegdheid van de Arbitragecommissie van de KNVB kan de voetbalwerkgever ook de Arbitragecommissie van de KNVB verzoeken om de arbeidsovereenkomst met de trainer/coach te beëindigen. De beide routes, die van het UWV en die van de arbitragecommissie van de KNVB, waren vòòr 1 juli 2015 ook al te gebruiken.

Ontslaggronden

Het bijzondere van de nieuwe wetgeving is dat de in art. 7:669 BW lid 3 genoemde ontslaggronden ‘voldragen’ dienen te zijn op het moment dat de werkgever de genoemde ontslaggrond aan de kantonrechter of aan de Arbitragecommissie presenteert als reden voor de gevraagde ontbinding. De Arbitragecommissie zal dan moeten beoordelen of de door de werkgever aangevoerde feiten en omstandigheden passen binnen één (of meer) van de acht genoemde ‘redelijke gronden’ Elke grond wordt daarbij afzonderlijk getoetst. Voor het disfunctioneren (de ‘d’ grond) dat ook bij de trainer/coach wegens tegenvallende sportieve resultaten vaak als beëindigingsgrond wordt gehanteerd, gelden volgens de wet vanaf 1 juli 2015 expliciete eisen. Ik kom daar in een volgende bijdrage op terug.

Dode spelsituaties -Sonny Hulst, Hoofd Keepersopleiding van het Bussumse BFC

Dode spelsituaties als corners, vrije trappen en penalty’s leveren vaak gevaarlijke momenten op voor het doel van een keeper. Welke beslissingen kan je als keeper nemen om het gevaar in de kiem te smoren? Zet je een verdediger bij de eerste paal? Zet je de langste spelers in het midden van de muur of juist aan de zijkanten? En kies je bij een penalty vooraf een hoek of wacht je zo lang mogelijk en probeer je de bal te volgen? We vroegen het Sonny Hulst, Hoofd Keepersopleiding van het Bussumse BFC.

Tekst & beeld: Jeroen Bolk

Het zijn volgens Hulst de angstigste momenten voor een keeper: dode spelsituaties. Het is druk voor het doel, het zicht is slecht en de kans bestaat dat je een tegentreffer moet incasseren. Door veel aandacht te besteden aan dit soort situaties, probeert Hulst zijn keepers door deze moeilijke momenten heen te slepen. En met succes, want hij merkt dat keepers steeds meer zelfvertrouwen krijgen naarmate ze ouder worden en vaker in dit soort situaties verzeild raakten.

De vrije trap

Uitgangspositie Belangrijk is het om de keepers bewust te maken van hun uitgangspositie. “Staan ze op hun hakken, rechtop, plat op hun voeten of daar iets tussenin? Bij een vrije trap is het belangrijk dat je als keeper laag zit. Je wilt de kracht van je benen gebruiken om je goed af te kunnen zetten. Er moet dus spanning op je benen staan, zodat je zo snel mogelijk de stap naar de bal kan zetten. Sta je heel hoog, dan moet je én nog spanning op je benen zetten én nog reageren op de bal. Dan ben je dus veel te laat. Voorkom dat je te laag gaat zitten, want dan kom je ook niet snel genoeg in beweging. Wij leren onze keepers daarom om iets door hun benen te zakken en ook iets voorover te leunen.”

Met alleen een goede uitgangspositie is een keeper er nog niet. Zonder voldoende explosiviteit zal een tegenstander hem alsnog weten te verschalken. Werk aan de winkel dus voor Hulst om de explosiviteit van zijn keepers op een dusdanig niveau te krijgen, dat zij snel kunnen anticiperen op een situatie. “Bij de jeugd beginnen we daar al mee, maar dan hebben we het niet over echte krachttraining. We doen dat met oefeningen zoals zweven. Daarbij maken we gebruik van paaltjes waar de keepers steeds met een krachtsprong overheen moeten springen. We dagen ze uit door het paaltje steeds hoger te zetten, waardoor ze de sprong steeds moeten vergroten.”

Op een gegeven moment weten zijn doelmannen hoe ver ze kunnen springen en wat hun bereik is. Dat helpt hen bij het kiezen van de juiste positie in de goal bij bijvoorbeeld een vrije trap “Bij een vrije trap komt de bal voor de keeper vaak in de lange hoek. Ga dus niet te ver in de korte hoek staan als je niet zo explosief bent, want dan kom je nooit meer bij de bal. Let ook op je standbeen. Als je naar rechts gaat duiken, dan zet je je rechter standbeen schuin af. Niet naar voren, niet opzij, maar schuin. Daardoor krijg je weer die spanning op je benen, waardoor je je beter af kunt zetten.”

Je wilt en moet flexibel zijn als keeper. Daarom mag je je benen volgens Hulst niet te wijd uit elkaar hebben staan bij bijvoorbeeld een corner of een vrije trap. Is de afstand tussen je voeten te groot en wordt een schot van richting veranderd waardoor je snel in de andere hoek moet zijn, dan kan je dat nooit meer herstellen. De Hoofd Keepersopleiding raadt keeperstrainers daarom aan hun doelmannen aan te leren hun voeten niet te ver uit elkaar te zetten. “Wij leren onze keepers dat hun voeten binnen de afstand tussen hun ellebogen, zodra ze iets voorover staan, moeten zitten. Op die manier kunnen ze het van richting veranderde schot vaak alsnog pakken.”

Volgens Hulst is het daarnaast van belang met welke arm je naar de bal gaat bij een vrije trap. Bij BFC hanteren ze de volgende stelregel: duikt een keeper naar rechts en komt de bal bóven zijn schouder, dan duik je met je linkerarm naar de bal en duikt een keeper naar rechts en komt de bal ónder zijn schouder, dan duik je met je rechterarm naar de bal. “Er werd en wordt vaak gezegd dat als een bal voor jou in de rechterhoek komt, je er met je rechterarm naar moet duiken. Dat is niet de goede oplossing. Je wilt je goed mogelijk afzetten en gebruikt daarbij je hele lichaam. Als je naar rechts duikt, dan kan je je linkerarm daar nog helemaal bij gebruiken om zo hoog mogelijk te komen. Verspringers gebruiken allebei hun armen om zo ver mogelijk te springen en dat geldt ook voor hoogspringers. Keepers willen dat ook, want wij willen zo hoog mogelijk bij de bal komen. Door je met je linkerarm af te zetten, kan je je goed afzetten en krijg je in de sprong ook nog eens de vaart mee om die hoge bal te kunnen pakken.”

Het muurtje

Het muurtje zal altijd een onderwerp van gesprek blijven als het op vrije trappen aankomt. De reden daarvoor is dat er nog steeds veel fout gaat bij het neerzetten van de muur. Dat constateert Hulst althans. “Er worden wat dat betreft nog steeds heel veel fouten gemaakt. Niet alleen in het amateurvoetbal, maar ook bij de profs. Voorbeeld: als je de muur neerzet, met welke speler communiceer je dan als keeper? In mijn visie doe je dat met de middelste speler die in de muur staat. Als je een muur van vijf spelers hebt, doe je dat dus met de derde speler in de muur. Communiceer je met een speler aan de buitenkant van de muur en hij staat met zijn rug naar de bal, dan ziet hij het niet als er een steekpass wordt gegeven. Daardoor kan die nooit meer op tijd reageren en loop je achter de feiten aan.” Hulst, die zijn keepers adviseert om een muur neer te zetten van vrije trappen vanaf 25 tot 30 meter afstand tot het doel, merkt daarnaast dat keepers niet goed weten hoe ze de lengte in een muurtje moeten verdelen. “Vroeger werd er vaak gezegd dat de grootste spelers aan de buitenkant van de muur moesten staan, maar dat is niet goed. Het grootste deel van de vrije trappen gaat over in plaats van om de muur. Daarom moet je de grootste spelers juist in het midden zetten, zodat zij de bal kunnen afstoppen. En ze moeten uiteraard bij elkaar blijven, want anders ontstaat er een gat in de muur. Het helpt om spelers elkaar te laten omarmen in de muur.”

De corner

Ballen inschatten ”Dit zijn voor een keeper één van de lastigste situaties”, vertelt Hulst vervolgens als het over de corner gaat. Dat komt volgens hem mede doordat er veel varianten (lang, kort, indraaiend en afdraaiend) zijn, waardoor je als keeper van tevoren niet goed weet wat er gaat gebeuren. “Ook staat iedereen voor je, het is druk in de zestien. Daardoor is het moeilijk om bij de bal te komen en überhaupt om de ballen goed in te schatten. Als je te laat ‘los!’ roept, dan breng je je verdedigers in de problemen. Je moet dus zeker weten dat je de bal kan pakken en dat er genoeg tijd is om bij de bal te komen.” Slimmigheidjes “Ik was daar als keeper echt heel slecht in. Ik was klein en zeker in de A en B waren corners één van mijn slechtste punten. Toen ik in de senioren terechtkwam, heeft mijn trainer mij daar heel erg mee geholpen. Hij leerde mij slimmigheidjes. Hij vertelde bijvoorbeeld dat je ruimte voor jezelf kan creëren door net iets op iemands tenen te gaan staan. Daarmee laat je daarnaast weten dat je ook aanwezig bent in de zestien. Dat moet je natuurlijk niet te vaak doen, maar de boodschap was wel duidelijk. Ik was niet groot, dus moest ik slim zijn.” Een ander slimmigheidje dat zijn trainer hem leerde, ging over hoe hij de dichtstbijzijnde aanvaller van de tegenpartij kon uitschakelen. Vaak zet de tegenpartij namelijk een aanvaller voor de keeper om hem te blokken, zodat de keeper moeite heeft om bij de bal te komen en het overzicht te behouden. “Als de bal gegeven wordt, dan moet de keeper om de aanvaller heen om de bal te pakken. Hij staat in de weg, je wordt geblokt. Daar had ik moeite mee. Mijn trainer leerde mij om een verdediger vóór die aanvaller te zetten, zodat ook hij geblokt wordt. Als de bal voor het doel wordt gebracht, dan kan de verdediger hem wegkoppen. Die aanvaller kan daar dan nooit bij. Als de bal er toch overheen komt, dan kan jij hem als keeper uit de lucht pakken.”

Bezetting voor de goal

Hulst raadt zijn keepers aan om zowel bij de eerste als de tweede paal een verdediger te zetten. Daarnaast wil hij dat er iemand op de punt van de vijfmeterlijn komt te staan. Dat moet volgens hem iemand zijn die de ballen goed in kan schatten, goed kan koppen en goed kan schieten. Kortom, iemand die in staat is om de voorzet onschadelijk te maken. De overige verdedigers pakken elk iemand op die van gelijke lengte is. De twee kleinste spelers en minder goede koppers nemen bij de paal plaats. “Belangrijk daarbij is dat je bij de rechterpaal een linksbenige speler zet, zodat die de bal weg kan trappen. Voor een rechtsbenige speler is dat op die positie lastiger. Dat zijn kleine dingen, maar die kunnen wel uitmaken of een doelpunt wordt voorkomen. De mannen bij de paal zijn een back-up voor de keeper. Ze moeten dus gefocust zijn en niet maar wat tegen de paal leunen. Een keeper kan wel eens mistasten, dus daar moeten ze op voorbereid zijn. Neemt de tegenstander een korte corner, dan wil ik dat de spelers bij de paal meteen van de goal af gaan, zodat de kans op buitenspel vergroot wordt. Degene op de punt van de vijfmeterlijn probeert de voorzet er uit te halen door het duel aan te gaan bij de cornervlag.”

Ervaring

Hulst weet dat iedere vrije trap of corner net weer iets anders kan zijn dan de voorgaande. Je weet niet wat de tegenstander vooraf heeft afgesproken. Gaan ze voor een korte corner? Hebben ze een verassende vrije trap ingestudeerd? “Maar je moet als keeper wel heel snel kunnen anticiperen op de situatie. Je moet daardoor veel verschillende situaties hebben meegemaakt als keeper. Die ervaring bouw je met de jaren op. Keepers weten daardoor beter hoe ze moeten handelen in een bepaalde situatie. Dat is trainbaar door er veel op te oefenen.”

Penalty’s

Psychologische oorlogsvoering

Lastiger om te trainen, en daarom doet hij het ook (bijna) nooit), zijn penalty’s. Hij geeft zijn keepers vooral mee dat ze de druk bij de tegenstander moeten leggen: psychologische oorlogsvoering. “Speel met de tegenstander. Ga wat water drinken, strik je veters nog even. De schutter moet het doelpunt maken, jij kan de held worden die de bal tegenhoudt.”

Reageren op de tegenstander

Hulst vindt het daarnaast belangrijk dat zijn keepers reageren op de tegenstander in plaats van andersom. “Ik denk namelijk dat je aan het standbeen van de schutter kan zien in welke hoek hij gaat schieten. Hij wijst met zijn standbeen namelijk vaak naar die hoek. Dat leer ik mijn keepers, daar moet je op reageren. Dat is heel moeilijk, want je moet op de bal en op zijn voeten letten. Dat is ook een soort van talent dat je moet hebben. Blijf naar de bal kijken. Daarvoor moet je dus wel weer explosief zijn en een goede uitgangspositie innemen.”

 

FILOSOFIE -COLUMN

Hoewel al geruime tijd achter de rug, bleef die dubbele wedstrijd van Ajax tegen Rapid Wien mij door het hoofd spoken. Was het echec van de Amsterdammers nou een specifiek Ajaxprobleem of had dit te maken met de staat van het Nederlandse voetbal in zijn algemeenheid. Ik denk eigenlijk het laatste.

We kunnen immers niet meer verdedigen is de overheersende mening. Maar dat is natuurlijk onzin. We kunnen wel degelijk verdedigen, maar leggen veel te veel de nadruk op de voetballende voortzetting van achteruit. Neem die eerste goal van Rapid Wien in Amsterdam. Waarom moest Bazoer dat kopballetje op Sinkgraven geven en moest de Fries dat aansluitend voetballend trachten op te lossen? Het kan niet anders, dan dat daar de Nederlandse filosofie van altijd maar weer de voetballende oplossing zoeken, aan ten grondslag ligt. De trainingen zijn er van doordrenkt. De voorbeelden liggen wekelijks voor het oprapen.

Het zit gewoon ingebakken in de Nederlandse opleidingsfilosofie, om elke bal een bedoeling tot opbouw mee te geven. Een verdediger die zijn tegenstander het voetballen onmogelijk maakt, maar niet altijd overtuigend de bal bij een medespeler inlevert, wordt standaard bekritiseerd. Een goede verdediger als Mike van der Hoorn, is er niet in geslaagd om bij Ajax een plek te veroveren, waarbij ik stellig van mening ben, dat dit meer aan Ajax dan aan Van der Hoorn ligt. Immers, de capaciteiten van de voormalige Utrechter liggen nu eenmaal niet op het gebied van sierlijk meevoetballen. Dat wist Ajax toen ze hem kochten.

De tijd dat we gidsland waren en nogal neerbuigend deden over de opleiding in de ons omringende landen, ligt al lang achter ons. Niet dat we er nu ineens niets meer van kunnen, maar andere landen hebben gewoon goed gekeken en ook goed gekopieerd en toegevoegd aan hun eigen specifieke waarden. Het wegrossen van een bal als er te veel gevaar voor het eigen doel oplevert is daar ook een onderdeel van. Talent hebben we nog steeds in voldoende mate, maar het ontwikkelen van talent is iets anders. Dat betekent aanpassen aan de specifieke eisen die topsport nu eenmaal stelt aan de sporters.

De KNVB heeft in haar beleidsplan 2014-2018 opgenomen dat het Nederlandse voetbal in 2018 tot de internationale top behoort, waarbij het fenomeen ‘winnen’ geen vies woord is. Het doorlezen van dit beleidsplan is een aaneenschakeling van ambities, waarvan je kunt afvragen of dit strookt met de realiteit van het heden. Zo wil de KNVB de BVO’s ook ondersteunen om de weg naar de top in te zetten. Maar dat kan bijna niet anders dan met een forse zak geld en juist dat zit er mede door de strikte begrotingsregels van diezelfde KNVB niet in, ben ik bang. Kortom, het moet komen vanuit een andere invalshoek.

Het opleidingstraject zal een meer realistisch karakter krijgen waarbij het woordje naïef niet meer in het handboek voorkomt. En waarom ook niet?!

Hans Bijvank