Geplaatst op 10 april 2017

Jaargang 24 – nr. 5 – december 2015

Van de voorzitter

In mijn vorige bijdrage had ik 2 pagina’s nodig om vooral veel onvrede met u te delen. Die onvrede was vooral gericht aan het adres van de KNVB. En dat was ook nodig en volledig terecht. Ik heb u toen o.a. uitgebreid verslag gedaan van onze kritiek richting KNVB inzake de toelating van Kraaij jr. tot de opleiding UEFA A en ik heb u ook verteld dat wij als VVON de KNVB hierover middels een brief om opheldering hebben gevraagd. Na enig aandringen heeft de KNVB inmiddels ook schriftelijk gereageerd op onze brief. Hoewel de KNVB omzichtig voorbij gaat aan het feit dat Kraaij jr. conform de geldende criteria nooit had mogen worden toegelaten, zijn wij tevreden met de schriftelijke reactie van de KNVB. Een passage uit de brief van de KNVB luidt als volgt:

“Het is geenszins de intentie van de KNVB geweest om in deze casus de VVON buitenspel te zetten. Dat is echter wel gebeurd, hetgeen de KNVB dan ook ten zeerste betreurt. De KNVB heeft dan ook begrip voor de onvrede die de VVON heeft geuit naar aanleiding van dit dossier. De KNVB heeft deze casus inmiddels aangegrepen om alle gemaakte werkafspraken met de VVON weer scherp op zijn netvlies te krijgen. De KNVB garandeert de VVON dan ook dat een dergelijke afwijkende procesgang in de toekomst niet meer zal voorkomen”.

Als VVON hebben wij het gevoel weer samen met de KNVB verder te kunnen. Er zijn inmiddels inderdaad de nodige (nieuwe) werkafspraken gemaakt. Ook hebben wij het idee dat de KNVB langzamerhand begrijpt dat de VVON met zijn 4.000 leden er ook alles aan gelegen is om een positieve bijdrage te leveren aan de kwaliteit van ons voetbal. Maar een goed gevoel hebben is uiteraard niet voldoende. De nabije toekomst zal moeten uitwijzen of wij hier samen met de KNVB inhoud aan kunnen geven. Op 20 december 2015 eindigt bijvoorbeeld de dispensatie die is verleend aan RVVH. Wij hopen uiteraard dat deze vereniging vanaf dat moment zal beschikken over een bevoegde trainer/coach. Maar wat gaat de KNVB doen wanneer dit niet het geval is? Het is zomaar een voorbeeld. Wij gaan het, samen met u, nauwgezet volgen.

Eén van de afspraken die onlangs met de KNVB is gemaakt betreft de (nieuwe) voetbalpiramide. Enige jaren terug is de topklasse ingevoerd en volgend seizoen komt daar nog de landelijke divisie (vereiste licentie wordt hier UEFA A) bij. De vraag is nu: “Passen de bestaande licentie-eisen nog bij de nieuwe voetbalpiramide?”. Wij hebben de KNVB gevraagd onderzoek te doen naar deze kwestie. Als VVON zijn wij niet op voorhand voor of tegen welke aanpassing dan ook. Wij vinden dat een inhoudelijk onderzoek (zoals toegezegd door de KNVB na de opwaardering van UEFA C een aantal jaren geleden) antwoord moet geven op de vraag of (en zo ja, welke) aanpassingen gewenst zijn. Wij hopen en verwachten dat dit onderzoek aan het einde van dit seizoen afgerond zal zijn. Wij houden u uiteraard op de hoogte van de ontwikkelingen in dit dossier.

Komende maand – medio januari – is het weer tijd om de jaarlijkse contributie voor 2016 te voldoen. Voor vrijwel alle leden geldt dat dit betekent dat er eenmalig een bedrag van € 75,00 zal worden geïncasseerd via een automatische incasso. Net als vorig jaar zal ClubCollect in januari namens de VVON uw contributie gaan innen. Verderop in dit magazine staat meer te lezen over hoe en wat. Lees dit aandachtig door en bij vragen kunt u altijd contact met ons opnemen.

Namens het bestuur van de VVON en de collega’s in onze 6 districten wens ik u allen mooie en ontspannende feestdagen toe en een gezond en gelukkig 2016.

Arnold Westen

“Ik ga niet voor een paar euro naar een andere club”

Bevlogen, ervaren en alles behalve een clubhopper. Die termen typeren RKHVV-trainer Frans Koenen. Een gesprek over zijn ervaringen, voortgang op medisch en tactisch gebied en de eis dat spelers onderdeel zijn van de club. “Na thuisduels laat je jouw gezicht in de kantine zien en daarmee bedoel ik niet in de hoek van de kantine met je telefoon gaan zitten.”

Tekst: Rogier Cuypers Beeld: Gerrit van Keulen

Zeven jaar trainer van de Bataven, vijf seizoenen GVVV en nu alweer sinds 2010 hoofdtrainer van RKHVV uit Huissen. Naast die lange periodes heeft Frans Koenen (soms noodgedwongen) kortere periodes bij bepaalde clubs gewerkt. Van elke periode heeft de 57-jarige oefenmeester wat opgestoken. “Bij GVVV heb ik eerst zelf gespeeld, voordat ik daar als trainer aan de slag ging. Dat was wel even wennen natuurlijk. Van tussen de groep staan naar trainer zijn en boven de groep staan. Ineens moest ik de beslissingen nemen. Gelukte werkte dat aardig. Mijn moeilijkste periode in mijn loopbaan heb ik gehad bij ARC in Alphen aan den Rijn. Niet zozeer vanwege de groep, maar wel door het contact met het bestuur. Bij GVVV ging alles prima en ik wist precies hoe de processen liepen. Bij ARC was er een kern binnen het hoofdbestuur dat onrust veroorzaakte. Dat werkt door. Met de groep ging het prima, maar daardoor kon ik niet altijd prettig werken.”

Ondanks vele succesvolle jaren bij enkele clubs, is zijn enige ontslag (bij Germania) een zwarte bladzijde uit zijn trainersboek. “Toen ik begon was de club net gepromoveerd naar de Hoofdklasse. Het eerste jaar ging super en we eindigden als vijfde. De club dacht met een paar versterkingen zelfs om plek drie mee te kunnen spelen. Zo werkt dat natuurlijk niet. De resultaten vielen tegen. We werden niet wekelijks weggespeeld, maar we pakten te weinig punten. Uiteindelijk is het dan wachten tot het moment dat de clubleiding je slachtoffert.”

Clubman

Koenen kiest zijn clubs zeer bewust uit. Hij houdt van gemoedelijkheid, dat spelers binding hebben met de club, maar ook van ambities van club en spelers. “Het is belangrijk dat ik bij een club zit waar ik jaren mee vooruit kan. Er moet een gezonde ambitie zijn en ik wil gaan bouwen aan een ploeg. Het liefst wil je elke week resultaat halen, maar dat kan natuurlijk niet altijd. Ik ben ook niet iemand die voor een paar euro naar een andere club gaat. Ik maak graag mijn werk af en ga niet jaarlijks ergens anders solliciteren.”

Eigen jeugd

Bij RKHVV speelt er veel jeugd in het eerste elftal. De filosofie van de club is, zoals wel vaker binnen het amateurvoetbal, ingegeven door de financiële onmogelijkheden. De gemiddelde leeftijd van een eerste elftalspeler bij RKHVV is 23,5 jaar. “De financiële situatie is hier minimaal. Geld om dure jongens van buitenaf aan te trekken is er niet. De spelers worden steeds jonger. We spelen soms met acht spelers uit de eigen opleiding in de basis. Spelers moeten RKHVV ook zien als mooie opstap om door te groeien. Als ze zien hoe dat bij voorgangers is gegaan, motiveert dat extra. Ik raak ook wel eens spelers kwijt aan wat grotere clubs in de omgeving. Dat is het gevolg van het beleid dat de club voert. Spelers moeten hier willen spelen, omdat ze een goed stuk opleiding krijgen dat hen verder helpt in de rest van hun loopbaan.” Het voordeel van veel eigen jeugd is dat spelers van nature al betrokken zijn bij de club en de mensen binnen de vereniging. Een vereiste, vindt Koenen. “Als je bij ons komt is het niet van: tasje op de rug, trainen en met het tasje op de rug weer naar huis. Dan kan je beter wegblijven en heb je bij RKHVV niets te zoeken. We willen betrokken jongens bij de club. Doe soms wat met supporters, sponsors, de jongste jeugd en gehandicapten. Dat hoort bij deze club en je dient je als speler ook netjes aan te passen aan de clubcultuur. Donderdagavond is bijvoorbeeld clubavond bij ons en dan is het verplicht om na de training de kantine in te gaan. Zit je met werk, dan meld je dat even. Ook na thuisduels moet je even je gezicht laten zien en daarmee bedoel ik niet in de hoek van de kantine met je telefoon gaan zitten. Wees betrokken bij de club en de andere leden. Doe je dat niet, dan corrigeert de groep je wel.”

Medisch gebied

De afgelopen seizoen heeft het eerste elftal van RKHVV flinke stappen gezet op medisch vlak. Veel spelers kampten met spierblessures. “Met onze fysiotherapeuten Dick en Gosse zijn we drie jaar geleden gaan zitten om te kijken wat er aan schort. Rond de winterstop hadden we vaak te maken met spierblessures en na de winter kampten spelers met overgewicht. We wilden het gaan monitoren en het aantal blessures terugdringen. Oud-speler Kees Adema heeft een bedrijf als looptrainer en is met ons naar oplossingen gaan zoeken. Hij zorgt voor loopprogramma’s waarbij stabiliteit ook een belangrijk onderdeel vormt. Elke maand wegen we de spelers en meten we ook de vetpercentages.”

Inmiddels is RKHVV al voor het derde jaar bezig met meten en het afnemen van testen. “Het eerste jaar werd er wat lacherig over gedaan. We verbonden er ook nog geen ‘IK GA NIET VOOR EEN PAAR EURO STEEDS ERGENS ANDERS HEEN’ consequenties aan. Het tweede jaar hebben we het uitgebreid met testen en extra training wanneer je bepaalde testen niet haalt. Hetzelfde deden we met het letten op voeding. Vorig jaar hebben we weinig blessures gehad en ook nu gaat dat erg goed. De blessures die we hebben zijn contactblessures. Core stability is een belangrijk onderdeel in onze training. Tijdens de warming up en ook daarna gebruiken we de loopladder. Als het slecht weer is, kunnen we altijd een aantal staande oefeningen doen. Uiteindelijk zijn we twintig tot vijfentwintig minuten met core stability bezig.”

Speelwijze

Net als RKHVV zelf is Koenen een voorstander van verzorgd voetbal van achteruit. De ervaren oefenmeester is echter een realist en geen idealist. “We zullen nooit de boel opengooien om vervolgens te roepen dat we goed gespeeld hebben, maar nul punten hebben. De punten staan voorop. Toch spelen we graag van achter naar voren verzorgd voetbal en niet met lange halen. Tijdens de training leggen we dan na de warming-up ook de nadruk op positiespel met drie vrije mensen in een beperkte ruimte. In een wedstrijd kan het voorkomen dat je wat meer moet inzakken als je de bal niet hebt en een andere keer geef je wat meer druk naar voren. Het hangt er natuurlijk vanaf wat er in de wedstrijd gevraagd wordt. Maar om aan te geven: een voorstopper moet bij ons meer doen dan alleen maar een spits uitschakelen. Hij is onderdeel van de opbouw.”

Weerbaarder

De ploeg is volgens Koenen ook technisch en tactisch weerbaarder geworden. “Daar bedoel ik mee dat we al een groep jongens hadden die aardig konden ballen. Maar in de Hoofdklasse wordt er meer gevraagd. De manier van voetballen moet hoofdklassewaardig zijn. Dus zo trainen we ook. We zijn afgestapt van het beetje vrijblijvende. Je moet een ploeg niet bezig houden, maar echt met gerichte leermomenten aankomen. Daardoor hebben we nu ook meer tactische trainingen en staan we soms wat langer stil tijdens een oefening om dingen aan te geven. Een aantal spelers heeft daar moeite mee gehad. En soms nog steeds. Daardoor zijn de spelers wel weerbaarder geworden. We willen ergens naartoe en daar horen soms ook minder leuke dingen bij voor de spelers.”

Dames 1

Dat de in Bemmel woonachtige Koenen een echte clubman is, bewijst het feit dat hij naast het eerste elftal ook trainer is van het eerste dameselftal. “Dat is een beetje zo gegroeid”, vertelt hij daarover. “Door omstandigheden stopte de hoofdtrainer dames 1 halverwege vorig seizoen ermee en ben daar ingesprongen. Voor dit seizoen was het lastig gezien het topklasse niveau waarop de dames speelden om een passende trainer te vinden die voldoet aan kwaliteiten/en de financiële situatie van de club. Door de positieve ervaringen van afgelopen jaren heb ik besloten dit verband door te zetten, en eerlijk gezegd het bevalt me prima. Het is goed te combineren met het eerste elftal bij de mannen en ik haal er veel plezier uit. Veel trainers willen het niet, omdat ze het niveau niets vinden. In mijn ogen is dat onzin en die trainers weten niet waar ze het over hebben. Maar eerlijk gezegd, dacht ik dat vroeger ook. Het niveau is prima en ik kan mijn ei kwijt. Zolang ik het naar mijn zin blijf hebben, ga ik ermee door.”

Kunnen zijn mannen nog wat leren van dames 1? “Misschien wel de beleving en het benaderen van bepaalde zaken. Ik hoor nooit een weerwoord en dat is bij de heren soms wel anders. Je hoeft ze niet op te peppen of te zeggen dat ze alles moeten geven tijdens de training. Dat gaat vanzelf. Daarnaast zijn ze iets minder vergevensgezind als de mannen.”

Plezier en presteren gaan hand in hand

Nicky Ligtvoet, trainer/coach RWB D1

Plezier en presteren zijn onlosmakelijk aan elkaar verbonden, weet ook Nicky Ligtvoet, trainer van het Waalwijkse RWB D1. Hij kwam daar achter toen hij jaren terug met de C1, zogenaamd een stel onhandelbare pubers, aan de slag ging. Sindsdien besteedt hij veel aandacht aan deze twee zaken, zowel voor, tijdens en na het voetbalseizoen.

Tekst: Jeroen Bolk Beeld: Nick van Rees Vellinga

Wanneer ben je gestart als trainer?

“Ik heb zelf altijd in de jeugd van RWB gevoetbald. Toen ik zeventien was, werd ik leider van de D3. Dat vond ik zo leuk, dat ik het jaar daarop zelf de E2 ben gaan trainen. Het jaar daarop vroeg Paul Timmermans aan mij om samen de C1 te gaan trainen om mezelf als trainer verder te ontwikkelen. We zijn in dat jaar kampioen geworden in de 2de klasse en wonnen de KNVB beker, een heel leerzaam jaar dus! Ik ben Paul daarvoor nog altijd dankbaar, dat hij altijd erg veel vertouwen heeft gehad in mijn trainerskwaliteiten. Hij vond kwaliteit altijd belangrijker dan de leeftijd van een trainer. Daardoor heb ik mezelf kunnen door ontwikkelen en de kans gekregen binnen RWB om op het allerhoogste niveau training te mogen geven. In dat jaar heb ik ook mijn UEFA COACH C afgerond. Het jaar daarop ben ik samen met Harold van de Vossenberg , een ouder van een kind wat in de C1 kwam, de C1 gaan doen, waar niemand zich bij de club aan wilde wagen omdat het een lastige groep zou zijn. Ik was in die tijd pas 21, maar wilde er mijn schouders onder zetten. Ik was van mening dat ik daar veel van kon leren. Zeker van Harold heb ik die periode veel geleerd , op sociaal gebied, bijvoorbeeld hoe je met pubers en hun ouders omgaat.”

Waarom stond die groep te boek als een lastige groep?

“Het jaar daarvoor stonden er twee trainers op, waarvan de zoons allebei in dat team speelden. Daar was al wat ophef over, omdat die zoons meer aan spelen toekwamen dan de rest van de groep. De oudere spelers uit die groep namen toen de regie over, luisterden niet meer naar de trainers en deden maar wat op de trainingen. Dat jaar degradeerde de C1 ook van de 1e naar de 2e klasse. De groep werd toen een stel onhandelbare pubers genoemd.”

Je komt dus als redelijk onervaren trainer voor zo’n groep te staan. Hoe heb jij dat ervaren?

“In het begin was het wel wat lastig, maar dat wist ik van tevoren. Het belangrijkste was, dat het plezier weer terug zou komen. Een aantal jongens wilde stoppen, had er geen zin meer in. Dat heeft maandenlang veel tijd en energie gekost, want we hebben het daar veel over gehad. In de winterstop stonden we tiende in de tweede klasse. We werden door iedereen uitgelachen. We zouden er niets van kunnen en het liep ook gewoon niet. Iets voor de winterstop hebben we een goed gesprek gehad met de jongens. Harold zorgde er toen voor dat er een activiteitenpot kwam, waarvoor ouders geld konden sparen en waarvan wij leuke dingen konden gaan doen. We zijn toen bijvoorbeeld wezen kanoën en wezen zwemmen; dingen die niets met voetbal te maken hadden. Uiteindelijk zijn we nog als derde geëindigd. We verloren na de winterstop geen wedstrijd meer. En belangrijker nog, iedereen had het weer naar zijn zin.”

Wat heb je daarvan geleerd?

“Die activiteitenpot heb ik er sindsdien altijd ingehouden. Iedereen werkt daar tot nu toe ook leuk aan mee. We sparen op die manier per ouder zo’n tachtig tot negentig euro per jaar. Vorig seizoen zijn we daar bijvoorbeeld ook een weekendje van naar Oud Gastel geweest, waar we in een gebouw van de scouting verbleven. Maar ook tijdens het seizoen hebben we activiteiten georganiseerd, zoals een darttoernooi en bowlen.”

Waarom zijn die activiteiten zo belangrijk volgens jou?

“Een voetbalclub is meer dan alleen een voetbalclub. Als je ergens komt voetballen, dan is het ook belangrijk dat je het er naar je zin hebt. Wij zijn geen BVO, daar gaat het allemaal wat strenger en strakker. Je moet daar een balans in vinden. Als je in een dip zit en je hebt een aantal wedstrijden op rij verloren, dan komt zo’n activiteit supergoed uit. Het zet je verstand op nul. Het heeft ook met groepsvorming te maken. Op de trainingen en tijdens de wedstrijden wordt er altijd maar serieus gedaan, maar daarbuiten moet er ook lol gemaakt kunnen worden. Daar leer je elkaar beter van kennen. Dat geldt ook voor hun ouders.”

En waarom is die band met hun ouders zo belangrijk?

“Hoe je het wendt of keert, je hebt de ouders nodig. Als ouder thuis heel negatief over een trainer praten, dan neemt het kind dat over. Daar hebben wij als trainer weinig tot geen invloed op, dus ik vind het belangrijk dat je de ouders erbij betrekt en een positieve sfeer creëert. Daardoor kan je een maximale prestatie leveren, omdat de jongens ook positief naar jou gaan kijken.”

Hoe reageren de ouders daar op?

“Ze vinden het heel fijn. Een ouder meldde zijn zoontje laatst bij mij af via WhatsApp, waarna we wat aan de praat raakten. Hij kende mij nog niet zo goed, maar was vol lof. Hij vertelde dat zijn zoontje zó blij was dat hij bij mij in het team zit, omdat er zoveel voor ze wordt georganiseerd, het zo gezellig is en dat er gepresteerd wordt.”

Op welke manier betrek je de ouders nog meer bij de groep?

“Aan het begin van het seizoen organiseren wij een ouderinfoavond en een spelerinfoavond. Dan maken wij onze plannen kenbaar: hoe we willen trainen, hoe we denken over afmelden, wanneer iemand wel of niet in de basis staat, respect; noem maar op. Ouders kunnen dan ook vragen stellen. Als een ouder het niet met ons plan van aanpak eens is, dan kunnen ze dat aangeven en dan gaan we met hen in gesprek. Zijn ze het er dan nog niet mee eens, dan verzoeken we ze vriendelijk een andere club voor hun zoon te zoeken. Maar gelukkig is dat nog nooit voorgekomen, want dat is ook wel heel extreem.”

Waaruit is gebleken dat jouw aanpak zijn vruchten afwerpt?

“Uit twee dingen. De betreffende C1 speelt nu grotendeels samen in de A1. Ze gaan in het weekend met elkaar op pad, vieren samen carnaval en chillen met elkaar in de vakanties. Het is een hele hechte groep geworden. Daarnaast is er ook gewoon resultaat geboekt door de verschillende teams, die wij op deze manier opleiden. De C1 is gepromoveerd, de B1 is gepromoveerd, de E1 is gepromoveerd. De lijn plezier/prestatie trekken wij namelijk ook door naar de lagere teams. Wij willen in de toekomst met al onze teams minimaal 1e klasse spelen en deze aanpak gaat daar zeker bij helpen.”

Hoe staat dat precies beschreven in jullie beleidsplan?

“Van een selectiespeler verwachten we dat hij twee keer per week komt trainen en dat hij zaterdags zijn best doen om uiteindelijk zo hoog mogelijk te eindigen. Overigens is dat niet onze hoofddoelstelling, want wij vinden de ontwikkeling van het individu belangrijker dan hoe hoog we op de ranglijst staan. Plezier houdt ook in dat de jongens na de wedstrijd nog lekker met elkaar blijven voetballen op ons pannaveldje of ergens anders of dat ze verbonden zijn aan de club. Dat betekent dat ze bijvoorbeeld gaan kijken naar ons eerste elftal.”

Hoe vertaal je het hebben van plezier en presteren naar de trainingen en wedstrijden?

“Ik praat heel veel met de jongens, maak af en toe tijd voor een dolletje, vraag hoe het op school gaat. Ik focus me niet compleet op het spelletje, maar besteed ook aandacht aan de mens achter de voetballer. Daarnaast trainen wij op papier anderhalf uur, maar dat vind ik te lang voor een D1. Met betrekking tot de spanningsboog en het kunnen concentreren, kies ik er vaak voor om een uur en een kwartier te trainen. Wij trainen ook niet aan één stuk door, maar hebben ook momenten dat we met elkaar aan het dollen en aan het lachen zijn. Er is bij ons ruimte om af en toe een grapje te kunnen maken. Als we dan zeggen dat we weer verdergaan met de volgende oefening, dan weten ze ook dat er vanaf dat moment weer serieus gedaan moet worden. Dat is wel iets wat ze moeten leren aanvoelen.”

Aan welke voorwaarden moet een trainer hiervoor voldoen?

“Je moet je in kunnen leven in de leeftijdsspecifieke kenmerken. Ik ben nu 26, ben ook jong geweest en was toen ook niet de makkelijkste. Dat weet ik nog goed. Je moet spelers af en toe een aai over de bol kunnen geven, terwijl je anderen weer een figuurlijke trap onder de kont moet geven. Je moet aanvoelen hoe je een speler moet begeleiden om hem zo goed mogelijk te maken. Ik heb dit jaar een jongen in mijn team, die twee jaar geleden nog stage heeft gelopen bij RKC Waalwijk. Hij viel toen op het laatste moment af en had daardoor een heel negatief zelfbeeld gekregen. In het begin van het seizoen hebben we hem daarom maar heel weinig laten voetballen. Op de training stond hij vaak te huilen dat hij het allemaal niet kon en niet goed genoeg was. Maar die jongen is technisch zó verschrikkelijk goed. We hebben hem toen heel rustig gebracht. Nu scoort die aan de lopende band en loopt hij weer met een lach rond. Maar je moet daarom als trainer wel aan kunnen voelen wat zo’n jongen nodig heeft.”

“In de C1 had ik ook een speler, die het niet altijd even makkelijk had. Ik heb deze speler een aantal jaar geholpen en adviezen gegeven. Hij mocht vorig jaar zijn debuut maken voor RWB 1 en maakte in de slotfase een doelpunt. De speler kwam gelijk op mij aflopen (ik stond als supporter te kijken) , en bedankte me voor alles wat ik voor hem gedaan had. Het doelpunt wat hij maakte droeg hij aan mij op. Uiteraard was dit een kippenvelmoment. Zoiets doet je erg goed en je ziet dat je zeer zeker wordt gewaardeerd voor de inzet naar de jongens toe. Niet alleen op voetbaltechnisch gebied, maar ook daarbuiten.”

Wat zijn de leeftijdsspecifieke kenmerken van D-pupillen?

“Een aantal jongens heeft de stap van groep 8 naar de brugklas gemaakt. Dat merk je aan hun taalgebruik; ze worden mondiger en bijdehanter. Daar moet je bovenop zitten. Ze worden een puber. Ook moet je ze veel laten doen, veel laten voetballen met de bal. Wat je vaak ziet bij trainers van een C1 of B1, is dat ze het spel heel vaak stilleggen. Dat vind ik zonde van de tijd. Natuurlijk leg ik ook wel eens stil, maar dat is situatief. Ik laat ze veel doen en het initiatief nemen door te coachen. Dat hebben jongens van deze leeftijd nodig.”

Is de jeugd de afgelopen jaren veranderd?

“Absoluut. Ik heb twee jaar geleden ook de B1 getraind. Bij die leeftijdsgroep moet je als trainer veel respect creëren bij de jongens. Dan ontstaat er een klik. Zeker bij die leeftijdsgroep is dat belangrijk, omdat ze anders gaan denken ‘poeh, daar staat die weer langs de zijlijn’, als je hen coacht. Het zijn allemaal pubers, hebben allemaal een eigen mening en weten alles beter. Als je een klik hebt met de jongens, dan kan je heel veel bereiken en gaan ze voor je door het vuur.”

Hoe krijg je het respect van de spelers?

“Ik heb van huis uit meegekregen dat het belangrijk is om eerlijk te zijn. Daarom zijn die afspraken aan het begin van het seizoen ook zo belangrijk. En die moet je ook nakomen. Ook als het om je beste spelers gaat. Onze keeper was vorig jaar tijdens de eerste bekerwedstrijd te laat. Dan kan je het niet nalaten hem wissel te zetten, omdat je dat anders het hele seizoen blijft achtervolgen.”

En verder?

“Je hebt tegenwoordig ook al die Facebookgroepen en groepsapps. Ik vind het belangrijk dat je daar als trainer ook af en toe in meebabbelt met de spelers, dat je niet alleen maar alles aan het lezen bent en overal een oordeel over velt. Je moet zorgen dat je zowel tussen als boven de groep staat. En dat ze ook weten wanneer je wat doet.”

 

CLUBCOLLECT GAAT IN JANUARI 2016 UW CONTRIBUTIE INNEN

Net zoals dat in 2015 het geval is geweest, zal de contributie voor het jaar 2016 worden geïnd via ClubCollect. Wanneer we terugkijken op de wijze waarop de contributie inning via ClubCollect vorig jaar is verlopen, zijn wij daar als VVON bestuur tevreden over. Uiteraard is het voor iedereen even wennen aan een nieuwe manier van contributie inning, maar in grote lijnen heeft dit niet tot problemen geleid. Dus willen wij hiermee doorgaan. De VVON telt ongeveer 4.000 leden. Als VVON bestuur willen wij onze kostbare tijd graag zo optimaal mogelijk besteden, zodat zoveel mogelijk tijd beschikbaar blijft voor de dienstverlening aan, en belangenbehartiging van, onze leden. Om onze taken te kunnen blijven uitvoeren is het uiteraard van het grootste belang dat elk lid de jaarlijkse contributie volledig en tijdig betaalt. In de afgelopen jaren is gebleken dat het steeds weer een tijdrovende activiteit is om alle contributies volledig en tijdig te innen. Dat willen we graag verbeteren. Daarom kiest de VVON ervoor (sinds 2015) om de inning van de contributie uit te besteden aan ClubCollect, een organisatie die ruime ervaring heeft met het innen van contributies. Voor alle duidelijkheid: ClubCollect is géén incassobureau.

Wat betekent dit samenwerkingsverband met ClubCollect concreet?

ClubCollect neemt de administratieve verwerking van de contributieinningen over. U als lid wordt door ClubCollect per e-mail of SMS geïnformeerd over de wijze waarop (voor vrijwel alle leden is dit via automatische incasso) en wanneer (omstreeks 2e week januari) de contributie zal worden afgeschreven van uw rekening. De e-mail of SMS die u ontvangt bevat een link waarmee u op uw persoonlijke betaalpagina komt van ClubCollect. Hier heeft u inzage in uw contributiefactuur. Zoals gezegd betaalt vrijwel iedereen via automatische incasso en hoeft u in principe zelf geen actie te ondernemen. Een gering aantal leden, dat (nog) niet betaalt via automatische incasso, krijgt de mogelijkheid om te betalen via Ideal.

Waarmee kunt u als lid ons en uzelf van dienst zijn?

Gelet op de wijze waarop de contributie zal worden geïnd, is het van belang dat de gegevens op uw persoonlijke profielpagina (https://www.vvon.nl/mijn-vvon) actueel en juist zijn. U zou ons, en uiteraard ook uzelf, een groot plezier doen door uw gegevens te controleren en waar nodig te actualiseren. Doe dit bij voorkeur zo snel mogelijk maar uiterlijk vóór het einde van het jaar. Met name uw e-mailadres, 06-nummer en uw IBAN-rekeningnummer zijn hierbij van belang. Wanneer u reeds een persoonlijk account heeft aangemaakt kunt u inloggen op www.vvon.nl (Inloggen mijn VVON) met uw e-mailadres en wachtwoord. Heeft u nog geen persoonlijk account aangemaakt dan kunt u een account aanmaken via https://www.vvon.nl/leden.

Betaal op tijd en voorkom dat uw contributienota wordt verhoogd

Wanneer u ervoor zorgt dat uw gegevens actueel zijn, uw saldo op uw rekening ten tijde van de automatische incasso voldoende is en u de aanwijzingen opvolgt die staan vermeld in de berichten die u van ClubCollect ontvangt, dan zal uw contributiebetaling vlekkeloos gaan verlopen. Mocht de contributiebetaling c.q. de automatische incasso niet kunnen worden uitgevoerd voor een bepaalde datum, dan zal ClubCollect uw contributienota met € 5,00 verhogen. Uiteindelijk zullen er, net als voorgaande jaren, ook leden zijn die na diverse herinneringen niet overgaan tot het betalen van de verschuldigde contributie. Hoewel wij als VVON flexibel en begripvol zijn, zullen ook wij uiteindelijk helaas genoodzaakt zijn de vordering van de contributie uit handen te geven.

Vragen?

Heeft u naar aanleiding van het uitbesteden van de contributie inning vragen en/of opmerkingen, dan kunt u uiteraard een e-mail sturen naar penningmeester@vvon.nl.

 

Opzeggen met of zonder toestemming

In de voorgaande uitgave van de TrainerCoach heb ik stilgestaan bij het nieuwe artikel 7: 669 BW. Daarin is vermeld in welke gevallen de (voetbal)werkgever de arbeidsovereenkomst met de (voetbal)werknemer kan opzeggen.

Tekst: Mr R. Beele (www.advocaatkantoor.nl)

De werkgever zal een van de in dat artikel genoemde ‘redelijke gronden’ moeten stellen en bewijzen om de arbeidsovereenkomst met succes te kunnen opzeggen. Daarnaast moet duidelijk zijn dat de werknemer niet binnen redelijke termijn al of niet met behulp van scholing kan worden herplaatst. Dat laatste is bekend uit het zgn. Ontslagbesluit, dat met de inwerkingtreding van de WWZ is komen te vervallen. De werkgever kan aan de verplichting tot herplaatsing ontkomen als er sprake zou zijn van zodanig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden verwacht dat de arbeidsovereenkomst voortduurt.

Schriftelijke instemming

Als hoofdregel van boek 7 BW geldt dat de arbeidsovereenkomst opgezegd kan worden. Dit is nadrukkelijk vermeld in de Memorie van Toelichting bij de WWZ. Evenzo is het uitgangspunt dat de opzegging alleen rechtsgeldig zal zijn indien de werknemer daarmee schriftelijk heeft ingestemd. Als de schriftelijke verklaring ontbreekt, moet ervan worden uitgegaan dat de werknemer zijn instemming aan de opzegging heeft onthouden. Als de werkgever desondanks de arbeidsovereenkomst opzegt, kan de werknemer naar de kantonrechter (lees: de Arbitragecommissie van de KNVB in het geval van een voetbalwerkgever en een voetbalwerknemer die beide(n) lid zijn van de KNVB) om de opzegging te laten vernietigen (art. 7:681 sub a. BW). Voorheen bestond voor de werknemer de mogelijkheid van een buitengerechtelijke (verklaring tot) vernietiging.

De wetgever heeft ervoor gekozen deze mogelijkheid niet in stand te laten. De reden daarvoor moet volgens de Memorie van Toelichting worden gevonden in de eenvoud. Daarbij wordt als voorbeeld gegeven de situatie waarin de werknemer schriftelijk aan de werkgever liet weten dat hij/zij een beroep deed op de vernietigingsbevoegdheid. Dat betekende dan veelal dat de werkgever dat beroep naast zich neerlegde en het loon niet meer betaalde. In die gevallen was altijd een extra procedure nodig om het (achterstallige) loon te vorderen. Bij het inwerking treden van de WWZ is in het kader van de eenvoud de buitengerechtelijke vernietiging dan ook verdwenen. Als de opzegging wordt vernietigd, blijft de arbeidsovereenkomst in stand en blijft de werkgever het loon verschuldigd. Er behoeft dan ook geen aparte loonvordering te worden ingesteld.

Vergoeding

In plaats van het verzoek tot vernietiging van de opzegging kan de werknemer verzoeken om hem ten laste van de werkgever een billijke vergoeding toe te kennen. Het is immers denkbaar dat de werknemer geen positieve verwachtingen heeft bij het voortbestaan van de arbeidsovereenkomst. Immers, in de ‘voetbalwereld’ is het een vaak voorkomend fenomeen dat de trainer-coach na een reeks tegenvallende sportieve resultaten moet vernemen dat de met hem bestaande arbeidsovereenkomst zal worden beëindigd. Meestal wordt er dan van uit gegaan dat een nieuwe trainer-coach in staat zal zijn om betere resultaten te behalen. Overigens blijkt in de praktijk dat dit ‘schokeffect’ vaak niet tot het beoogde gevolg leidt.

Voordat uiteindelijk wordt besloten om de trainer-coach de wacht aan te zeggen is in de meeste gevallen al negatieve informatie over hem verspreid. Dit, met de bedoeling om het besluit om de arbeidsovereenkomst op te zeggen te verstevigen. Tegen de achtergrond daarvan is het nauwelijks zinvol om de vernietiging van de opzegging te vragen. De trainercoach is dan al redelijk ‘beschadigd’, zijn werkwijze staat dan per definitie ter discussie en zijn geloofwaardigheid is ondermijnd. Dat alles wordt uiteraard anders als zou blijken dat de spelers van de door de trainer-coach getrainde selectie nog altijd achter hem staan en vertrouwen hebben in een voortzetting van de relatie. Immers, in dat geval is de relatie tussen de trainer-coach en de spelersgroep goed en zou, met een gewijzigde aanpak, al of niet ondersteund door een onomstreden (oud) trainer-coach, hervatting van de werkzaamheden zeer wel mogelijk zijn.

Tijdig op de hoogte

De opzegging dient op een van de redelijke gronden, genoemd in artikel 7:669 BW te zijn gebaseerd. Ten aanzien van de slechte sportieve resultaten zou in het kader van art. 7:669 BW kunnen worden aangesloten bij lid 3 sub d. van dat artikel. Echter, als de voetbalwerkgever bij de opzegging met succes van die bepaling gebruik zou willen maken, moet blijken dat de trainer-coach tijdig op de hoogte is gesteld van het voornemen om de arbeidsovereenkomst met hem te beëindigen. Daarnaast moet de trainer-coach voldoende in de gelegenheid zijn gesteld om zijn functioneren te verbeteren. Tenslotte dient de voetbalwerkgever gemotiveerd aan te geven dat het disfunctioneren (“de ongeschiktheid van de werknemer tot het verrichten van de bedongen arbeid, anders dan ten gevolge van ziekte of gebreken van de werknemer”) niet het gevolg is van onvoldoende zorg van de voetbalwerkgever voor scholing van de trainer-coach of voor de arbeidsomstandigheden van de trainer-coach.

Kunstgras

Een voorbeeld van het laatste betreft een trainer-coach die, vanwege een besluit van de voetbalwerkgever om gedurende de laatste weken van de eerste seizoenshelft twee trainingsvelden te vervangen door kunstgras, met de door hem getrainde selectie moest uitwijken naar een bijveld waaraan al enige tijd geen onderhoud was gepleegd. Dat bijveld vertoonde enkele oneffenheden als gevolg waarvan enkele spelers blessures opliepen. Deze blessures hadden tot gevolg dat na de winterstop het elftal op enkele plaatsen belangrijke spelers moest missen. Dit leidde tot slechte sportieve resultaten waarvoor de trainer-coach verantwoordelijk werd gehouden. Nadat de trainer-coach schriftelijk van de voetbalwerkgever had vernomen dat de slechte resultaten hadden geleid tot het besluit om hem te ontslaan, is uitvoerig met de voetbalwerkgever gecorrespondeerd. Partijen zijn vervolgens met elkaar in gesprek te gaan. Dat gesprek heeft geleid tot het inzicht bij de voetbalwerkgever dat zij zich onvoldoende de consequenties van haar besluit had gerealiseerd. Partijen hebben daarop besloten de samenwerking te hervatten.

“Benader ieder individu anders” - Mischa Visser

Hoofdtrainer van Be Quick 1887, Mischa Visser, kwam aan het woord over de periodisering en individualisering van de ploeg. Visser verdiept zich al jaren in de fysieke belastbaarheid van spelers. “Ik kijk daarin kritisch naar mezelf en leer dagelijks bij.”

Tekst: Rogier Cuypers | Beeld: Be Quick 1887

“Kennisdeling is enorm belangrijk”, vertelt Mischa Visser over de avond van de VVON. “Ik ben zelf een enorm voorstander van een dergelijke bijeenkomsten. Niet zozeer voor de punten, maar om mezelf als trainer te verrijken. Toen de VVON aan ons vroeg om een bijdrage aan de avond te leveren, hebben we ons afgevraagd wat ons onderscheidt. We weten relatief veel van periodisering en individualisering. En dan is het mooi als andere trainers een kijkje in onze keuken kunnen nemen. We streven er toch allemaal naar om een klein steentje bij te dragen aan de ontwikkeling van het Nederlandse voetbal.”

Interesse

“Dit vakgebied heeft altijd mijn interesse gehad”, vervolgt hij. “Tijdens mijn sportopleidingen heb ik ook fysiologie en trainingsleer gevolgd. Op de diverse trainerscursussen heb ik periodisering met extra belangstelling gevolgd. Vanuit mijn werk als docent aan het Instituut voor Sportstudies geef ik o.a. les op het aanbieden van conditionele trainingen. We hebben bij de club met Peter Eppinga ook de expertise in huis en dat is natuurlijk erg prettig werken. Hij is erg belangrijk. Als trainer heb je van jezelf al de nodige kennis, maar wanneer je dat niet hebt, dan vind ik het belangrijk om in gesprek te gaan met iemand uit dat vakgebied. Dat helpt je verder in je ontwikkeling als trainer-coach en daarmee bied je jouw spelers het beste.”

Blessures

Over het algemeen is het Be Quick van Visser een fitte ploeg. De blessures die de spelers hebben, zijn voornamelijk contactblessures. Maar ook de jonge hoofdtrainer heeft wel eens met blessures te maken die eventueel voorkomen konden worden. “Ik kijk daarin altijd kritisch naar mezelf en leer dagelijks bij. Hoe had ik bepaalde blessures kunnen voorkomen? Onlangs hadden we te kampen gehad met wat meer geblesseerde spelers. Het is wat sneller donker, wat kouder en onze ploeg bestaat uit veel studenten die het wat drukker op hun studie krijgen. Ze lopen op hun tenen om goed te presteren, juist op dat moment verzwaarden wij de periodisering. Achteraf hadden we dat beter niet kunnen doen, maar soms is er helaas een kleine blessure nodig om kritisch naar jezelf te zijn. Ik vind het de grootste uitdaging om dit voor te zijn.”

Individu

Als Visser iets geleerd heeft, is het dat ieder individu anders is. Niet alleen voetbaltechnisch en in mentaal opzicht, maar ook zeker fysiek. Alle spelers over één kam scheren kan volgens hem dan ook blessures in de hand werken. Je moet weten in hoeverre een speler belastbaar is tijdens een bepaalde periode. “Kijk eerst wat voor groep je hebt. Zijn dat oudere spelers die minder belastbaar zijn? Komt hij van een veel lager niveau en is hij drie keer trainen in de week niet gewend? We hebben de teamperiodisering en kijken en testen wie van de spelers het fitste zijn. Hen laten we wat meer doen. Spelers met een blessuregeschiedenis of afkomstig van een lager niveau of vanuit de jeugdopleiding belasten we over het algemeen minder. Zo hebben we drie jongens gehad die voor het tweede kwamen, maar ook met onze eerste selectie meetrainen. De spelers hadden telkens wat kleine klachtjes,drie keer in de week trainen was wat teveel. Daarop hebben we het aantal trainingen voor hen naar twee teruggebracht. Achteraf vind ik het dom van mezelf dat ik dat niet meteen had gedaan, ik leer gelukkig iedere dag. Spelers op maat belasten zijn zaken die je op ieder niveau kan meenemen.”

 

 

“Verdiep je in de speler van de 21e eeuw”

‘Stay on top of the game’ was de werktitel van het tweede Voetbaltrainer Congres dat door de VVON en NLCoach werd georganiseerd. Interessante workshops en met Toon Gerbrands als inspirerende keynote spreker. “Succes is voor negentig procent maakbaar.”

Tekst: Rogier Cuypers | Beeld: NLCoach

Toon Gerbrands heeft zowel in het volleybal (o.a. bondscoach Nederlands team) als in het voetbal (AZ en tegenwoordig PSV) de nodige ervaring opgedaan. In zijn verhaal vertelde hij hoe succes maakbaar is en – misschien wel belangrijker – hoe je er alles aan kunt doen om op lange termijn succesvol te blijven. “Succes is doelen stellen. Roepen dat je kampioen wilt worden in plaats van aangeven dat je ‘mee wilt doen voor de prijzen’. Want wat houdt dat in? Succes is voor negentig procent maakbaar. Slechts enkele zaken heb je niet in de hand, zoals de concurrentie, de scheidsrechter, ongelukkige blessures en toeval.”

Topsport

In de topsport gelden volgens Gerbrands drie kernbegrippen: visie, passie en actie. Je krijgt één moment om te presteren, geen herkansing. Als voorbeeld haalde hij de gouden oefening van Epke Zonderland aan tijdens de Olympische Spelen van Londen. “In 2008 greep hij mis en eindigde hij als laatste in de finale. In 2012 ging hij voor de moeilijkste oefening: misgrijpen betekende dat hij het stempel van ‘loser’ opgeplakt zou krijgen. Hij kreeg één kans en pakte die.”

Speler van de 21e eeuw

Tegenwoordig heerst er nog wel eens onbegrip bij coaches over het gedrag van jonge spelers. Spelers vol met tatoeages, koptelefoon op en gamen in plaats van ouderwets kaarten. Volgens Gerbrands is het essentieel dat je interesse toont in je spelers en hun belevingswereld. Zo kwam hij met een anekdote over een bijeenkomst met vier coaches uit andere landen. “Ik stelde ze de vraag: ben je geïnteresseerd in je spelers? Daar antwoordde iedereen bevestigend op. Vervolgens vroeg ik hen wat op dat moment de top-3 games, top-3 muziek en populaire koptelefoons waren. Ze moesten het antwoord schuldig blijven en voelden dat als een echte eye-opener.”

Toen Gerbrands als algemeen directeur bij AZ werkzaam was, speelde Nemanja Gudelj in Alkmaar. Een speler op wiens lichaam ook de nodige tatoeages te zien zijn. “Ik ben op een middag eens op hem afgestapt en heb aan Nemanja gevraagd waar de tatoeages voor stonden. Hij had een hele tekst op zijn buik staan en dat bleek een stuk uit de bijbel te zijn. En de twee namen op zijn borst waren van zijn opa en oma, die in zijn cultuur erg belangrijk zijn. Hij wilde ze dicht bij zijn hart dragen. Stap gewoon als coach eens op een speler af en vraag waar het voor staat. De jeugd wil uniek zijn en iedereen draagt dat op zijn manier uit. Zo ook Memphis Depay, waar nu veel om te doen is.”

Aan de top blijven

In Nederland praten we vaak over al dan niet mooie faciliteiten. Een mooie mat, een geweldige zaal. Maar hoe belangrijk zijn faciliteiten? Rasmus Ankersen reisde voor zijn boek ‘The goldmine effect’ naar uithoeken van de wereld om de geheimen van topprestaties te achterhalen. “En wat bleek, de faciliteiten waren overal vaak minimaal. Who wants it the most, daar gaat het om. Zorg dat de besten, met de besten en tegen de besten spelen. Dat zorgt voor topprestaties.”

“Durf af te wijken” - René Felen

René Felen is een specialist op het gebied van teamontwikkeling. In zijn workshop ‘Sleutel tot blijvende sportprestaties’ legde hij naast de verschillende fases van teamontwikkeling ook de nadruk op out of the box denken. “Trainers en spelers blijven graag in de comfort zone. Bij een goed team is er echter sprake van een stimulerende leeromgeving.”

Tekst: Rogier Cuypers | Beeld: NLCoach

René Felen begeleidt momenteel acht voetbaltrainers uit de top van het profvoetbal (zoals Ronald Koeman) en ook uit de top van het amateurvoetbal (o.a. Marcel Groninger, HHC). In zijn workshop begon Felen met een filmpje van Southampton. De ploeg van Ronald Koeman speelde aan het slot van vorig seizoen een cruciale wedstrijd tegen Aston Villa. Winst betekende plaatsing voor de Europa League. In plaats van een voorbespreking koos Koeman vlak voor de wedstrijd voor een motivatiefilmpje. De uitslag: 6-1. “Doe niet steeds hetzelfde als trainer”, is ook de conclusie van Felen. “Zorg dat je jouw spelers steeds op een andere manier prikkelt. Ben je als trainer creatief of blijf je hetzelfde erdoor proberen te duwen als het niet lukt? Durf af te wijken.”

‘EEN TOPPER IS NIET BANG OM TE VERLIEZEN’

Topper Volgens Felen is het van belang hoe je met succes en verlies omgaat. Zowel voor de spelers als de coach. Maar wat zijn de kenmerken van de echte toppers? “Een topper kijkt uit het raam als het goed gaat. Oftewel: hij kijkt hoe anderen het (mede) mogelijk hebben gemaakt. Als het niet goed gaat, kijkt hij in de spiegel. Wat kan ik beter doen? Bij een subtopper is het exact andersom. Hij geeft anderen de schuld als het slecht gaat en kijkt tevreden in de spiegel als het goed gaat.

Toppers blijven in zichzelf en in de groep investeren. Daarnaast haat een topper om te verliezen, maar is hij niet bang om te verliezen. Een subtopper wel.”

Achtergrond van teamontwikkeling

Naast de verschillende stadia van teamontwikkeling (zie kader) besprak Felen de achtergrond ervan. In zijn verhaal gaf hij aan dat de meeste mensen van nature graag in hun comfort zone zijn. “Ze willen in stand houden wat bekend is. Ook wel routine genoemd. Stilstand is echter achteruitgang. Bij een goed team is er sprake van een stimulerende leeromgeving. Voor een aantal kan een verandering betekenen dat ze van de comfort zone in de paniekzone terechtkomen. Een topspeler is zich bewust van zijn goede eigenschappen, een trainer weet dat van zijn ploeg. Een goede trainer start vanuit de comfort zone en probeert de ploeg langzaam dingen bij te brengen. Dat werkt beter dan in één keer alles rigoureus om te gooien.”

Topteam blijven

Maar hoe blijf je een topteam en hoe zorg je dat successen niet incidenteel zijn? Felen heeft natuurlijk niet het gouden antwoord op een presenteerblaadje. “Niet elk team kan succes hebben. Het is echter van belang dat je als team een eigen identiteit hebt en dat je daar als coach bij past. Heb je een eigen identiteit, dan ben je uniek. Het is daarnaast van belang dat je jezelf als trainer/coach bewust bent van de specifieke kwaliteiten van het team, los van het voetbaltechnische aspect. Als je als trainer geen idee hebt, dan ben je afhankelijk van toeval.”

Teamontwikkeling

1. Beleefdheidsfase Een fase waarin alles nog koek en ei is. De sfeer is goed, iedereen is vrolijk en er zijn geen conflicten. De spelers zijn vriendelijk tegen elkaar en proberen het gezellig te maken. Er wordt vooral niet gezegd wat men denkt. De spelers zullen niet openlijk aankaarten waarom een trainer een bepaalde oefening geeft, of elkaar aanspreken op het gedrag. Het is als eerste zaak om dit te doorbreken, door te achterhalen waar de irritaties zitten en deze boven tafel te krijgen. “Vaak één-op-één, taakgericht. Zorg dat je als trainer bij partijspelen in het veld staat. Het levert meer coachmomenten op, dan wanneer je ver van de situatie af staat. Ga dus op het middenveld staan als je de coaching richt tot de middenvelders. Je zult als trainer even uit je comfort zone moeten, want je mist even het overzicht.”

2. Positioneringsfase De eerste conflicten ontstaan, nadat de contouren van de basiself duidelijk wordt. De coach zegt iedereen gelijke kansen te geven, maar de praktijk blijkt anders. “Ga het conflict aan met de speler of trainer. Alleen dan kun je het oplossen. Veel trainers gaan het uit de weg en willen liever terug naar de beleefdheidsfase. Terug naar de goede sfeer. Bij conflicten denken mensen vaak aan ruzie, maar er zijn vele manieren van onenigheid, die wel opgelost moeten worden voordat ze een nadelig effect hebben op het team. Daarom is het omgaan met conflicten één van de belangrijkste vaardigheden van een trainer.”

3. Normeringsfase Worden conflicten opgelost in een win-win situatie, dan gaan de relaties zich verbeteren. De spelers en technische staf weten dan van elkaar hoe zij ergens over denken. Je hoeft het niet altijd met elkaar eens te zijn, maar je moet elkaars beweegredenen wel begrijpen. Dit is de derde fase, het normeren, waarin afspraken gemaakt kunnen worden. Je komt achter elkaars sterke en zwakke punten en kan elkaar hierin ondersteunen en compenseren. “De coach houdt meer afstand tot de groep tijdens de training. Hij is meer ondersteunend dan sturend.”

4. Prestatiefase Als je in de laatste fase komt, de fase van het presteren, dan heb je te maken met een zelfsturend team. De coach hoeft dan slechts korte opdrachten te geven, spelers vragen zelf om opheldering en zijn op zoek om zichzelf voortdurend te verbeteren. Het werkmilieu is ideaal te noemen. “Niet iedereen komt in deze fase. En ook is het mogelijk om een fase terug te vallen in het proces.”

“Tot de B-junioren staat de voetbaltechnische ontwikkeling centraal” -Steven Edelenbos

De moderne voetballer is fysiek sterk. Maar wanneer begin je met het kweken van stalen spieren? Steven Edelenbos, die krachttrainer is bij sc Heerenveen, vertelt over de fysieke belastbaarheid van jeugdvoetballers.

Tekst: Martin Veldhuizen | Beeld: NLCoach

“Spelers, vind ik, bepalen zelf of ze beter worden of niet. Qua voetbal, fysiek en mentaal. Ik doe uit mijzelf extra krachttraining om sterker te worden. Ik krijg een lekker gevoel van extra belasting.” Deze uitspraak van voormalig sc Heerenveen-spits Klaas-Jan Huntelaar staat in schril contrast met de mening van Feyenoord-aanvaller Michiel Kramer. “Ik krijg heel vaak te horen dat ik harder moet trainen. Maar ik vind het nutteloos. Heeft een club ooit drie punten gepakt omdat ze op maandag hard hebben getraind? Als ik mijzelf wil pijnigen, was ik het leger wel in gegaan.” Pure voetbaltraining, looptraining, of krachttraining, in het moderne voetbal hoort het er tegenwoordig allemaal bij. Ook de rol van de wetenschap is niet meer weg te denken uit het hedendaagse voetbal. Om een goed beeld te krijgen van de fitheid en belastbaarheid van spelers wordt er gemeten, gemeten en nog eens gemeten. Zo kan worden vastgesteld wanneer het juiste moment is aangebroken voor de volgende trainingsprikkel, wie er meer moet doen en wie juist wat minder. Ook helpen de meetresultaten revaliderende sporters zo snel mogelijk terug te keren op hun niveau. Dat begint al bij de jeugd, zegt Steven Edelenbos, die als krachttrainer bij sc Heerenveen verantwoordelijk is voor het fysieke programma van alle spelers van de Friese club, van E-pupillen tot de A-selectie. “Meten is weten. Er zijn objectieve meetwaarden, zoals lengte, gewicht, vetpercentage, maximale hartslag, etc., die makkelijk te meten zijn. Maar ook subjectieve meetwaarden als de motivatie of het geluksgevoel van een voetballer spelen een belangrijke rol in zijn ontwikkeling en prestatie. Ze zijn lastiger vast te stellen, maar we proberen er wél achter te komen.”

WK-finale

De 28-jarige Edelenbos haalt een voorbeeld aan. “De pijngrens is voor iedereen verschillend. Maar één ding is zeker: als een voetballer kleine pijntjes heeft, speelt en traint hij net iets minder vrij. Behalve in een WK-finale natuurlijk, dan voelt niemand pijn. De pijngrens is echter wel degelijk van invloed op de prestatie, Steven Edelenbos, krachttrainer sc Heerenveen: “Tot de B-junioren staat de voetbaltechnische ontwikkeling centraal” De moderne voetballer is fysiek sterk. Maar wanneer begin je met het kweken van stalen spieren? Steven Edelenbos, die krachttrainer is bij sc Heerenveen, vertelt over de fysieke belastbaarheid van jeugdvoetballers. Tekst: Martin Veldhuizen | Beeld: NLCoach TRAINERSCONGRES VVON/NLCOACH DeTrainerCoach | 23 dus je moet weten waar die ligt. Dat bereik je alleen door de speler persoonlijke aandacht te geven en met hem in gesprek te gaan.” Veel makkelijker is het vergaren van de objectieve meetwaarden. Bij sc Heerenveen gebruiken ze een aantal methoden om inzicht te krijgen in de fysieke toestand en belastbaarheid van de individuele speler. Zo beschikt de club over de OmegaWave, een apparaat waarmee de dagelijkse belasting en de actuele belastbaarheid op elkaar afgestemd kunnen worden, zodat de kans op over- of onderbelasting wordt geminimaliseerd. Ook de Interval Shuttle Run-test staat periodiek op de agenda. De resultaten worden per speler vastgelegd, waardoor gevolgd kan worden hoe een speler er fysiek voorstaat. “Voetbal is een sport, waarbij het vermogen om te accelereren, de wendbaarheid en (sprong)kracht enorm belangrijk zijn. Als we problemen zien in de prestatie van spelers, dan gaan we op zoek naar de oorzaak van het probleem. Zit het hem in één van de hiervoor genoemde fysieke aspecten, moet hij voetbaltechnisch bijgeschoold worden of zijn er andere zaken die hem blokkeren of hinderen? Is slechte voeding de oorzaak, heeft hij onvoldoende nachtrust of zijn er problemen op school of thuis? Pas als we daar het antwoord op hebben kunnen we een individueel trainingsprogramma opstellen.”

Voetbalvoorwaarden

Edelenbos bemoeit zich niet met de voetbaltechnische oefeningen, de geboren Groninger richt zich op ‘voetbalvoorwaarden’ als acceleratie, loopscholing, roteren en een stabiel, mobiel en uitgebalanceerd lichaam. “Voetballers zijn voortdurend aan het rennen, remmen, draaien en weer accelereren. Daarom krijgt iedere speler loopscholing en leert hij de basistechniek van het voetenwerk. Hoe zet je je voeten neer, hoe beweeg je, is er voorspanning op de voet? Ook springen hoort daarbij, springen is één van de meest onderschatte en blessuregevoelige onderdelen. Verder besteden we veel aandacht aan de rug, die continu wordt belast. De rug moet daarom soepel, sterk en wendbaar zijn. Yoga-oefeningen zorgen voor een stabiel, mobiel en uitgebalanceerd lichaam en het voorkomen van blessures. Ik noem altijd Ryan Giggs als voorbeeld, die deed z’n hele loopbaan twee keer per week yoga-oefeningen.”

Omslagmodel

SC Heerenveen hanteert in de jeugd het zogeheten ‘omslagmodel’, een model waarbij van de E-pupillen tot en met de A-junioren de verdeling is vastgelegd tussen het trainen van de voetbaltechnische vaardigheden en de fysieke voorwaarden. Bij de jongste categorie ligt de focus, naast de algemene ontwikkeling, op de voetbaltechnische vaardigheden. De fysieke voorwaarden worden krijgen minder aandacht. Naarmate de spelers een leeftijdscategorie verder komen groeit de verhouding steeds meer naar elkaar toe. “Pas bij de B-junioren krijgt het conditionele en fysieke aspect meer aandacht”, vertelt Edelenbos. “Op die leeftijd wordt de speler meetbaar en kun je al wat meer zeggen over de potentie. Dat is ook het moment dat we beginnen met specialiseren. A-junioren krijgen zelfs een programma op maat, al proberen wij hen zoveel mogelijk zelfsturend te laten zijn. Tot de B-junioren staat de voetbaltechnische ontwikkeling echter centraal.”

Trainen zonder geld

Tenslotte legt Edelenbos uit, dat het ontbreken van voldoende financiële middelen geen beletsel hoeft te vormen om toch aan loop- en krachttraining te doen. “Net als veel clubs heeft ook sc Heerenveen geen onbeperkte financiële mogelijkheden. Maar met oude autobanden en afgedankte scheepstouwen kom je een heel eind. Met een loopparcours van autobanden is de aanschaf van een loopladder niet nodig. En als twee spelers met een autoband ertussen elkaar over een lijn proberen te trekken heb je een prima krachtoefening. Sprinten met een touw om je middel met een autoband eraan vergroot het acceleratievermogen van een speler. Allemaal eenvoudige voorbeelden, die nauwelijks geld kosten.”

 

“Een high-performance cultuur staat los van high-tech faciliteiten” -Marijn Beuker

De lat ligt hoog in Alkmaar. Kampioen van Nederland worden en de Champions League winnen, dat is de ambitie van AZ. Onmogelijk? Volgens Marijn Beuker, Hoofd Prestatie & Ontwikkeling van de Alkmaarse club, niet.

Tekst: Martin Veldhuizen | Beeld: Gerrit van Keulen

Marijn Beuker is als Hoofd Prestatie & Ontwikkeling van AZ verantwoordelijk voor het creëren van een cultuur die presteren mogelijk maakt. Natuurlijk realiseert hij zich, dat de kans dat de cup met de grote oren ooit door de club uit de kaasstad gewonnen wordt bijzonder klein is. Maar vertel hem niet dat het onmogelijk is. Bij AZ worden spelers daarom opgeleid vanuit de gedachte dat ze met hun club kampioen van Nederland worden en de Champions League winnen. Wie Beuker hoort praten over deze ambitie en de wijze waarop zijn club dat denkt te bereiken, gaat er warempel nog in geloven ook.

“Wij denken het verschil te maken met onze visie, ons programma en onze kennis”, vertelt de 31-jarige Beuker. “De wijze waarop wij tegen de ontwikkeling van talenten aankijken en onze gedachte hoe topprestaties worden bereikt, verschilt met die van anderen. Wij ontwikkelen en trainen spelers die het spel begrijpen, eigen keuzes kunnen maken, technisch en fysiek in optimale conditie zijn, een sterke persoonlijkheid hebben en 24 uur per dag 7 dagen in de week gericht zijn op presteren. Wij leiden individuen op, maar leren de spelers om als team vanuit een goed samenwerkende organisatie gevarieerd, dynamisch, initiatiefrijk en met een hoge intensiteit te voetballen.”

Dat de financiële mogelijkheden in Almaar te beperkt zouden zijn om de ambitie waar te maken, schuift Beuker opzij. “Een high-performance cultuur heeft niets te maken met hightech en luxe faciliteiten. Het gaat om de Marijn Beuker, Hoofd Prestatie & Ontwikkeling AZ Alkmaar De lat ligt hoog in Alkmaar. Kampioen van Nederland worden en de Champions League winnen, dat is de ambitie van AZ. Onmogelijk? Volgens Marijn Beuker, Hoofd Prestatie & Ontwikkeling van de Alkmaarse club, niet. Tekst: Martin Veldhuizen | Beeld: Gerrit van Keulen “Een high-performance cultuur staat los van high-tech faciliteiten” cultuur binnen je club, die moet het presteren mogelijk maken. Bij AZ zijn we elke dag opnieuw tot in detail bezig met het beïnvloeden van de mindset, overtuigingen en attitude van zowel de staf als de spelers. Wij willen sterke persoonlijkheden die ambitieus zijn, het (leer)vermogen hebben om beter te worden en topsportgedrag vertonen.”

Zes principes Voor het creëren van een high-performance cultuur bouwt AZ op zes principes:

1. Begin bij het einde en houd je vizier op de prijs.
2. Leg de lat hoog, zorg voor hoge verwachting en wees veeleisend.
3. Ga altijd op zoek naar ruimte voor verbetering en focus daarbij op het proces.
4. Geef mensen verantwoordelijkheid en de regie over hun eigen ontwikkeling en leerproces.
5. Stimuleer creativiteit en oplossingsgericht denken.
6. Ga op zoek naar oncomfortabele situaties en uitdagingen.

Beuker schetst een aantal voorbeelden van deze principes. “De mens is niet gemaakt om het uiterste uit zichzelf te halen. Leg een lat op één meter hoogte en niemand zal twee meter hoog springen. Vertaal je dit naar het voetbal, dan betekent dit bijvoorbeeld dat tien van de tien passes goed moeten zijn in plaats van negen. En kun je je de wedstrijd tegen Costa Rica op het WK in Brazilië nog herinneren? Voordat de verlenging begon pepte Arjan Robben zijn teamgenoten op om achterin geen fouten te maken en geconcentreerd te blijven. Louis van Gaal liet het gebeuren, een perfect voorbeeld van hoe je spelers zelf de verantwoordelijkheid kunt geven. En voor wat betreft oncomfortabele situaties en uitdagingen: onlangs hebben we bij AZ O13 de spelers rondjes laten lopen en daarbij verteld dat de elf spelers die dat het langst volhielden de zaterdag erop zouden spelen. Een vrij ongebruikelijke methode, maar onze ervaringen waren bijzonder positief. De spelers haalden het uiterste uit zichzelf.”

Persoonlijk Profiel

In het creëren van een high-performance cultuur speelt de coach een belangrijke rol, vertelt Beuker. “Onze coaches moeten de spelers begeleiden van de plek waar ze nu zijn naar de plek waar ze naar toe willen. Niet door hen te motiveren, maar te inspireren. Want, zoals ik hiervoor al verteld heb, de motivatie moet uit de speler zélf komen.” De AZ-coaches krijgen zes tips, waarmee ze hun spelers kunnen inspireren:
1. Probeer eerst de speler te begrijpen, voordat hij jou begrijpt.
2. Ga op zoek naar de echte motivatie van je speler, waarvoor komt hij iedere dag uit bed.
3. Wees eerlijk, excuses tellen niet.
4. Gebruik de kracht van voorbeelden.
5. Laat spelers geloven dat hun talent ontwikkeld kan worden, focus op een groei-mindset.
6. Maak een plan, want een doel zonder plan is slechts een wens.

“Elk team bij AZ krijgt als doelstelling om eerste te worden”, vertelt Beuker. “De coaches stellen samen met de spelers vast wat daarvoor nodig is, in teamverband én per individu. Ze worden daarbij ondersteund door een zogeheten ‘Persoonlijk Profiel’, waarin o.a. de ambitie, identiteit, waarden en overtuigingen en kwaliteiten en valkuilen van elke speler is vastgelegd. Vervolgens moeten zij de spelers uitdagen door hen buiten hun comfortzone te laten acteren, kritisch opletten of een speler doet wat hij heeft afgesproken én op de juiste wijze feedback geven. Zeg niet ‘je bent een natuurtalent’, maar ‘de ontwikkeling die je doormaakt is geweldig’. Of, als iemand een foute pass geeft, ‘je zag de ruimte maar probeer volgende keer de bal wat strakker in te spelen’. De focus moet liggen op wat hij kan ontwikkelen en niet op wat hij slecht doet.”

Wesley Hoedt

Tenslotte vertelt Beuker over de ontwikkeling van Wesley Hoedt, de nu 23-jarige verdediger die opgroeide in de jeugdopleiding van AZ. “Wesley was als jochie van dertien klein, tenger en technisch niet al te vaardig. Toch wilde hij de beste verdediger ter wereld worden, Sergio Ramos was zijn grote voorbeeld. Dankzij zijn ijzeren wil en enorme drive werd Wesley een topverdediger, die deze zomer een transfer maakte naar Lazio Roma. Jammer voor ons, maar we zijn ervan overtuigd, dat onze jeugdopleiding de komende jaren meer topspelers als Wesley gaat opleveren. Het winnen van de Champions League blijft onze ambitie.”

WAARNEMEN -COLUMN

Het al dan niet uit zijn van een bal, of het niet waarnemen van een overtreding is bij voetbal altijd al een onderwerp van felle discussies geweest. Sinds die gedenkwaardige finale in 1966 was het bijna een nationaal trauma voor Duitsland. Was die bal van Geoff Hurst de lijn volledig gepasseerd en had grensrechter Bachramov dat helder en zonder enige terughoudendheid kunnen constateren? De man heeft zijn geheim mee het graf in genomen.

Dit zijn zaken die de emoties fel doen oplaaien en waarover men nooit en te nimmer is uitgepraat. Altijd worden er maatregelen verzonnen om de onvoorspelbaarheid van het menselijke oog voorspelbaar te maken. Het verschil tussen de (top)sporten is echter duidelijk waarneembaar. Het WK rugby was een verademing, waarin een scheidsrechter een absolute autoriteit is. Geen jengelende, verongelijkte en fel protesterende voetballers. Rugbyers leggen zich zonder enig voorbehoud neer bij een beslissing. Daar is het ook niet nodig een scheidsrechter voor de camera te halen om zich te verantwoorden. Niemand die zeurt, hoewel daar ook bij rugby absoluut wel aanleiding toe is. Dat is maar goed ook, want sport is mensenwerk en bij mensenwerk horen fouten. Ondanks het feit dat de camera alles genadeloos en haarfijn registreert, is voetbal gelukkig nog niet geheel van de techniek.

Inderdaad is niets meer onmogelijk en languit liggend op de bank kunt u op uw gemak waarnemen dat de aanvaller 10,5 cm buitenspel staat, dat de bal de doellijn met 0,3 mm geheel is gepasseerd of dat die elleboogstoot vertraagd en driedimensionaal wordt weergegeven om onomstootbaar opzet aan te tonen. U komt dan vermoedelijk tot de conclusie dat die scheids- of grensrechter of die man op de achterlijn wel een ontieg’lijke klootzak moet zijn dat hij dat niet heeft waargenomen. Dat het ook simpel en doeltreffend kan bewijst die bus met scheerschuim. Geen gezeul meer met muurtjes. Kost bijna niets.

Zal digitale techniek het spel verfraaien? Zal die wetenschap de uitslag anders doen worden? Ik denk het niet en het enige dat er wellicht zal gebeuren is dat heftige discussies meer achterwege blijven. Het is immers zonneklaar, u hebt het allemaal tot in detail gezien. Uiteraard dient het gemak de mens, maar het kan ook doorslaan. Voetbal leeft van de onvoorspelbaarheid van de sporters met al hun fraaie acties, maar ook van het opzichtige falen. Het is nu eenmaal in de menselijke natuur ingebakken. Die emotie moet blijven.

De digitale techniek kan de spanning en emotie van de topsport niet verfraaien, alleen maar een stuk zakelijker maken. Een voetbalscheidsrechter verdient het absolute respect als autoriteit in het veld. De man moet echter van de camera worden weggehouden. Hoe graag onze vaderlandse topscheidsrechter het ook wil, hij is geen topsporter, maar gewoon een ondersteunend product van het spel met inbegrip van zijn fouten. Dat ik op de poll van de website waarin trainers een oordeel over de scheidsrechter kan geven een nee heb ingevuld, mag helder zijn.

Hans Bijvank