Geplaatst op 10 april 2017

Jaargang 25 – nr. 1 – februari 2016

Van de voorzitter

I n de oktober uitgave van 2015 hebben wij u o.a. uitgebreid geïnformeerd over de onbevoegde constructies bij Kozakken Boys en RVVH en de maatregelen die door de KNVB zijn genomen. Beide clubs zijn in 2015 door de KNVB tuchtcommissie bestraft vanwege een trainersconstructie die niet in orde was. Kozakken Boys is beboet met € 500,- en Danny Buijs (de onbevoegde TC) kreeg een boete van € 250,- en een voorwaardelijke functieontzegging van acht wedstrijden met een proeftijd van één jaar. RVVH is voor eenzelfde soort vergrijp beboet met € 750,-. Daarnaast heeft het KNVB Bondsbestuur, tot verbazing en ergernis van de VVON, in al haar wijsheid besloten RVVH dispensatie te verlenen tot 20 december 2015 om een bevoegde hoofdtrainer/coach aan te stellen. Tot zover de feiten uit 2015.

Zoals ook door ons aangekondigd hebben wij beide clubs daarna op de voet gevolgd. Bij Kozakken Boys werd al snel duidelijk dat men niet echt van zins was de onbevoegde werkwijze aan te passen. Buijs ging gewoon door met trainen en coachen zoals dat ook het geval was voordat de tuchtcommissie uitspraak had gedaan. Na het zien van de bekerwedstrijd Kozakken Boys – AZ op 16 december 2015 was voor ons de maat vol, en hebben wij op 17 december 2015 de KNVB gevraagd aangifte te doen. Op 6 januari 2016 heeft de KNVB, naar aanleiding van de o.a. door ons aangeleverde bewijsstukken, aangifte gedaan tegen Kozakken Boys en Buijs.

RVVH had zoals gezegd dispensatie tot 20 december 2015. En zoals wij al hadden voorspeld richting KNVB is ook gebeurd. Vanaf 20 december was de situatie bij RVVH onveranderd en was het nog steeds de onbevoegde Franken die acteerde als trainer-coach. Sterker nog, RVVH had ook nog de moed om op 21 december 2015 opnieuw een verzoek tot dispensatie in te dienen bij de KNVB. Dit verzoek is vervolgens op 15 januari 2016 door de KNVB afgewezen. Maar ik zou me als KNVB wel voor de gek gehouden voelen. RVVH heeft namelijk helemaal nooit de intentie gehad om een bevoegde trainer-coach aan te stellen. En dit is al het geval vanaf september 2013!!!

Op 18 januari 2016 hebben wij de KNVB gevraagd aangifte te doen tegen RVVH en Franken. Een dag later, op 19 januari 2016 heeft de KNVB, mede op basis van de door de VVON aangeleverde informatie, aangifte gedaan. Wanneer de uitspraken van de tuchtcommissie bekend zijn zullen wij dit melden via onze website.

Ik had op deze plaats uiteraard liever over andere zaken geschreven, maar u als lid van de VVON heeft recht op deze informatie. Ik vind dat wij als VVON, indien nodig, altijd moeten blijven vechten voor het vak van trainer-coach. En langzamerhand heb ik ook het gevoel dat de KNVB begrijpt dat zij de plicht hebben om hun eigen opgeleide trainercoaches te beschermen, En dat betekent in voorkomend geval dus moeten optreden treden tegen ‘beunhazen’ en verenigingen die zich niet houden aan de reglementen van de KNVB.

Tot slot vraag ik ook uw aandacht voor het volgende. De competitie gaat straks de beslissende fase in. De prijzen zullen weer verdeeld gaan worden. En dat betekent weer veel spannende wedstrijden en veel emotie bij verenigingen, bestuurders, publiek, spelers en ook bij u als trainer-coach. Emotie hoort bij voetbal en mag ook zeker getoond worden, maar doe het wel met respect voor tegenstander en scheidsrechter. Ik wens u allen een mooi vervolg van de competitie toe.

Arnold Westen

“Stuur mijn centrale verdedigers niet mee”

Jean Maas is bezig aan zijn vierde seizoen bij eersteklasser SC Susteren. De voormalig profvoetballer heeft wat betreft het neerzetten van de organisatie veel opgestoken van Jo Bonfrère. “Wanneer jouw twee centrale verdedigers achterin blijven, is de kans op tegentreffers een stuk kleiner.”

Tekst: Rogier Cuypers | Beeld: Jean Maas

Na zijn actieve loopbaan bij onder andere MVV is Jean Maas direct aan de slag gegaan in het trainersvak. En tot op de dag van vandaag heeft de docent lichamelijke opvoeding daar niet bepaald spijt van. De langste tijd als trainer was hij aan het werk bij het tweede elftal van MVV (1989-1997), om vervolgens in de top van het amateurvoetbal aan het werk te gaan. Na uitstappen naar onder andere China en de Emiraten belandde hij weer terug in Nederland. Inmiddels heeft hij bij Susteren alweer voor één jaar bijgetekend, zodat hij in juli aan zijn vijfde seizoen gaat beginnen. Een unicum voor de Limburger. “Bij de amateurs heb ik nooit langer dan drie jaar bij dezelfde club gewerkt”, lacht de hoofdtrainer van eersteklasser SC Susteren. “Bij een BVO is dat natuurlijk anders, zeker bij een tweede elftal. Je hebt steeds nieuwe jongens onder jouw hoede. Het lijkt af en toe een duiventil. Het is daarom redelijk uitzonderlijk dat ik nu zo lang bij één amateurclub zit, omdat je daar in de regel toch te maken hebt met minder verloop onder de spelers. Vooral bij een club als Susteren.”

“Hoe ik mezelf als trainer zie?”, reageert Maas. “Ik heb laatst het boek van Raymond Verheijen, ‘Hoe simpel wil je het hebben?’, gelezen. Daarin heeft hij het over profielen van trainers. Guus Hiddink is meer een people manager, Louis van Gaal een docent. Van huis uit ben ik ook een docent lichamelijke opvoeding, maar sta goed tussen de jongens en kan goed luisteren. Ik probeer dingen aan te reiken, maar niet op een dwingende manier. Ik sluit aan op wat ze al beheersen en dat werk ik verder uit.”

Jezelf beheersen is volgens Maas belangrijk in het groepsproces. “Als je een people manager wil zijn, moet je niet primair reageren. Er zijn altijd situaties waarin je de neiging hebt wat terug te zeggen of te reageren. Dat is het slechtste dat je kunt doen. Wanneer er irritatie is, dan kun je beter afstand nemen en het allebei laten bezinken en er later op terugkomen. Het bekijken van video- of tv-beelden zijn ideale momenten om spelers op bepaalde zaken te wijzen. Ik vind het persoonlijk niet lastig om niet primair te reageren, want dat kan ik in mijn functie als docent ook niet.”

Leermeesters

Als trainer heb je een aantal voorbeelden waar je het meest van opsteekt. Voor Maas zijn dat er twee: Jo Bonfrère en Sef Vergoossen. Beiden kent hij uit zijn tijd bij MVV en van beide oefenmeesters heeft hij het nodige opgestoken. “Ik zie het als voorrecht dat ik een tijd actief ben geweest in het betaalde voetbal. Daarin heb ik jarenlang actief kunnen samenwerken met Sef Vergoossen. Een betere leermeester kun je als trainer niet hebben. Zijn oefenstof was geweldig en hij liet het voetballende gedeelte altijd prevaleren. Daarnaast beheerste hij ontzettend goed de groepsdynamiek en dat sloot goed aan op mijn persoon. Dat zit in je of niet en ik ben wel iemand die sociaal onderlegd is.”

Met Bonfrère maakte Maas uitstapjes naar China en de Emiraten. Ook van deze Limburger leerde Maas de kneepjes van het vak. “Jo heeft me in 1980 als speler van Caesar naar MVV gehaald en is iemand met veel internationale ervaring. Van elke trainer leer je wat, maar hij had ook wat extra’s. Met name hoe hij de organisatie neer kon zetten. Dat deed hij geweldig. In China en de Emiraten speelden onze teams vrijwel altijd op de helft van de tegenpartij. Om dat vol te kunnen houden, moet je je team echter zodanig organiseren dat plotseling balverlies niet meteen tot een dodelijke counter lijdt. Zeker in competities waar de meeste ploegen zich ingraven om te wachten op een of twee kansjes die altijd wel komen.”

Centrale verdedigers

Bonfrère had een duidelijke visie waar het gaat om de verdedigende organisatie bij balbezit, oftewel de restverdediging. “Hij zei altijd dat de twee centrale verdedigers nooit mochten inschuiven. Als ze blijven staan, dan is de kans op tegengoals een stuk kleiner op het moment je plotseling balverlies lijdt. Daarnaast mocht ook maar één van de twee backs mee naar voren, maar dat deed Michels in zijn tijd ook al. Bij mij mogen ze af en toe mee, maar minder dan vóór de periode Bonfrère.”

Ondanks dat Maas veel op heeft gestoken van Bonfrère, is hij volgens eigen zeggen iets avontuurlijker ingesteld. “In het internationale voetbal is resultaat leidend. Bij de amateurs is winnen ook belangrijk, maar als je daarmee een speelwijze hanteert waar jij als trainer en de spelers niet blij van worden, dan gaat het niet lang duren. Ik wil gewoon naar voren spelen met goed positiespel en daar richt ik mijn aandacht op tijdens de trainingen. Toch blijft de restverdediging essentieel. Zeker als je veel balbezit hebt, dan is het belangrijk dat wanneer je de bal verliest je goed staat.”

Speelwijze

Maar hoe zorgt Maas dat zijn speelwijze door de week heen erin geslepen wordt? “Ik ben altijd met voetbalvormen en positiespelen bezig en ook wedstrijdvormen met afwerken. Ook simpele afwerkvormen als dribbelen en afwerken op doel met wedstrijdelement. Bijvoorbeeld twee doelen naast elkaar en de score bijhouden van beide afwerkende teams of drie minuten afwerken en kijken welke ploeg het meest gescoord heeft.” Omdat Maas ervaring heeft met verdedigende speelwijzes in het buitenland is er één vereiste als hij aan een nieuwe klus begint: geen negatief voetbal. “Ik start niet bij een ploeg waarvan bekend is dat ze een verdedigende speelwijze hebben”, vertelt hij. “Als je een ploeg kiest, moet je weten wat voor spelers er rondlopen en hoe ze gewend zijn te spelen. Natuurlijk praat je vooraf met de jongens hoe zij er over denken en hoe je als trainer over zaken denkt. Bij Susteren spelen we al vier jaar hetzelfde systeem. In grote lijnen verandert er, op wat accenten na, niet zoveel. Een formatie is een naam, maar wij spelen altijd met drie aanvallers en in het middenveld met de punt naar voren.”

Voorbereiding

“In de voorbereiding begin je met verdedigende organisatie”, vertelt Maas over het neerzetten van de speelwijze aan het begin van het seizoen. “Eén van de oefenvormen is om vier of vijf verdedigers tegenover acht of negen aanvallers te zetten. Als de aanvallende partij terugspeelt naar het middenveld, dan moeten de verdedigers aansluiten en het veld klein maken. Daar begin ik mee in verdedigend opzicht. Aanvallend leg ik de accenten vooral tijdens wedstrijden. We hebben namelijk een kleine groep van veertien tot zestien veldspelers. Elf tegen elf op de training lukt dus niet. Vaak spelen we zeven tegen zeven of acht tegen acht. In die vormen kan ik de wedstrijdsituatie voldoende nabootsen, maar het zou natuurlijk prettig zijn om elf tegen elf te spelen. Het is echter een bewuste keuze van de club om een relatief kleine selectie bij het eerste elftal te hebben. Op die manier kunnen we jeugdspelers en jongens van het tweede elftal laten doorstromen.”

Eigen jeugd

Bij SC Susteren stromen er geregeld jongens uit de eigen jeugd door, óók op eerste klasse niveau. Maas ziet dat het een ontwikkeling is die meer doorzet in het amateurvoetbal. “Het valt me op dat meer ploegen die eigen jeugd laten doorstromen, tegenwoordig op een hoger niveau uitkomen. Dit komt natuurlijk voor een groot gedeelte omdat de financiële mogelijkheden bij clubs die spelers betaalden minder zijn geworden, waardoor er minder spelers weggehaald worden bij verenigingen die niet betalen. Susteren heeft geen eerste klasse achtergrond, maar speelt nu wel op dat ‘ALS PEOPLE MANAGER MOET JE NIET PRIMAIR REAGEREN’ HOOFDTRAINER DeTrainerCoach | 7 niveau. Je ziet dat ook andere clubs met veel eigen jeugd hogerop komen. Een goede opleiding is altijd een manier om je als club te onderscheiden, maar tegenwoordig kunnen deze verenigingen daar ook steeds meer zélf de vruchten van plukken.”

Mocht er bij de ploeg van Maas toch een speler vertrekken, dan is er een aantal mogelijkheden om dat gat op te vullen. “Wij kijken altijd eerst wat er binnen de club kan doorstromen. Als blijkt dat het niveau niet afdoende is, dan kijken we in de regio. We halen eigenlijk nooit spelers buiten de regio, ook niet in België en Duitsland, ondanks dat we daar in de buurt zitten. Veel jeugd uit de regio traint al in Susteren, omdat deze spelers hier de mogelijkheid krijgen op een hoog niveau te spelen en te trainen. Zodoende heb je sowieso al de beste jeugdspelers uit de regio aan je gebonden.”

Moeilijke spelers

Wat doe je met spelers die wat extra’s in het veld brengen, maar niet altijd alles volgens de regels doen? Heeft de vedette van het team extra credit, omdat hij de ploeg met een aantal geniale acties extra punten bezorgt? Waar de meeste trainers iedereen over één kam scheren of zeggen dat te doen, daar vindt Maas dat sterspelers dat extra krediet wel hebben. “Ik heb wel wat ervaring met lastige spelers door de jaren heen”, vertelt hij. “Maar dat heeft elke trainer wel. Je kunt als trainer niet alles door de vingers zien, maar het is belangrijk dat de spelersgroep accepteert dat je soms afwijkt van de regels. Sterspelers hebben wat meer krediet. Je kunt niet altijd star zijn en iedereen over één kam scheren. Dat is wel het makkelijkst, maar zo werkt het niet. Het belangrijkst is dat je jezelf als trainer in de spiegel aan kunt kijken. Vraag jezelf af of je het slippertje van een speler voor jezelf en voor zijn medespelers kunt plaatsen. Maak het bespreekbaar. Als jouw sterspeler wat geflikt heeft, vraag je hoe de groep er in staat. En hoe lang tolereer je iets voor je als trainer actie onderneemt? Soms zijn er echter momenten dat je als trainer in moet grijpen en een speler moet wegsturen. Dat hoeft niet per definitie te betekenen dat je dan zwakker wordt, want het team pakt het vaak zodanig op dat ze er als groep sterker uitkomen.” “Wanneer een sterspeler buiten de lijntjes kleurt, bespreek ik dat niet met de hele groep”, vervolgt hij. “Spelers durven elkaar in de groep er namelijk niet altijd op aan te spreken. Als trainer heb je een aantal voortrekkers waar je dit soort zaken mee bespreekt. Dat zijn meestal ervaren jongens of spelers die een sleutelpositie in het elftal innemen.”

Gevoel

Toch is het ook voorgekomen dat Maas als trainer ingegrepen heeft, waar de medespelers hun teamgenoot nog een kans wilden geven. “Er heeft zich bij Susteren een situatie voorgedaan waar een aantal jongens met de desbetreffende speler wilden praten. Maar toen was voor mij de grens al bereikt en heb ik maatregelen getroffen. Het is ook belangrijk dat je als trainer een grens trekt als jouw gevoel dat zegt. Bij een cruciale wedstrijd is die afweging wat lastiger te maken. Dan kan ik mijn gevoel nog wel even aan de kant zetten. Maar als je nog een paar maanden met elkaar verder moet, kun je beter de knoop doorhakken en afscheid nemen.”

“Doel was om de rust terug te laten keren”

Igor van Gelderen is naast hoofdtrainer ook hoofd opleidingen bij Sporting Almere. Zijn doel was om de rust terug te brengen in de club: de nadruk op winnen verleggen naar de nadruk op plezier. “Winnen is belangrijk, maar we willen hier gewoon lekker voetballen.”

Tekst: Rogier Cuypers | Beeld: Gerrit van Keulen

Veel jongens hebben een droom om in het betaalde voetbal te komen. Die wens is bij ouders soms nog wat sterker. Helemaal als de club waar jouw kind speelt om de hoek ligt bij een BVO. Met dat fenomeen hebben ze bij Sporting Almere, liggend in de buurt van Almere City, te maken.

Igor van Gelderen merkt de drive van vaders om te coachen bij hun zoon en om zo de droom van dichtbij te beleven en te beïnvloeden. “Veel ouders denken wel: ‘dat doe ik even’. Men onderschat het trainersvak een beetje. Als club zitten we naast Almere City en dat merk je. Je ontkomt er niet aan dat veel spelers bij ons komen spelen met als doel om ooit bij Almere City te spelen. Maar dat doel heeft een vader ook. Ik ben me ervan bewust dat veel vaders trainer worden van het team van hun zoon met de gedachte dat ze dan meer invloed hebben op de ontwikkeling van hun kind.”

Maar hoe voorkom je dat als club? “De afstand bewaren tussen vader en zoon is best lastig. De ene vader trekt zijn zoon voor en de ander doet precies het tegenovergestelde. Ik ben maar weinig vaders tegengekomen die er neutraal inzitten. En als een vader dat wel is, dan vragen andere ouders zich af of dat echt zo is. Het blijft een gevoelig punt. Intussen hebben we bij de selectieteams geen vaders die trainers zijn van het team van hun zoon. Dat brengt rust binnen die ploegen. Bij andere teams ontkom je er gewoon niet aan om er ouders bij te betrekken.”

Veranderende clubcultuur

De afgelopen anderhalf jaar heeft er een cultuuromslag plaatsgevonden bij Sporting Almere. “De cultuur was altijd dat winnen heel belangrijk is. Nu zijn we bezig met de ontwikkeling van het kind en dat we gewoon lekker voetballen. Ik merk dat we nu anderhalf jaar bezig zijn dat het rust geeft op de velden. Ouders en trainers zijn rustiger langs de lijn. Ik ben van mening dat de trainer het voorbeeld moet zijn voor de ouders. Ten tijde van het incident met grensrechter Richard Nieuwenhuizen was ik hoofd jeugdopleidingen bij Buitenboys. Dat heeft me er nogmaals van doordrongen waar het om draait en ik vond het belangrijk dat er ook binnen deze club een omslagpunt nodig was.”

‘DOOR DE HELE CLUB HEEN KRIJGT IEDEREEN EVENVEEL SPEELTIJD’

Niet alleen op technisch gebied, maar ook op andere vlakken worden de trainers bij Sporting Almere ondersteund. “We geven naast de cursussen met oefenstof ook aan hoe we het gedrag van coaches graag zien. Ik doe niets anders dan de trainers een spiegel voorhouden. Ook zelf heb ik dingen als coach gedaan waar ik spijt van heb. Mijn fanatisme is daar één van. Ik was vaak bezig met de scheidsrechter en voelde me snel benadeeld. Als je dat als coach doet, neemt een spelersgroep dat over. Dergelijke voorbeelden draag ik ook aan bij onze coaches. Soms zet ik ze wat aan om het wat zwart-wit neer te zetten. Vanaf het moment dat ik me niet meer druk maak om de scheidsrechter merk ik dat mensen om me heen dat ook niet meer doen. Nu kan ik anderen ook corrigeren.”

Rust langs de lijn

“Zaken die bij de trainers extreem verbeterd zijn is rust langs de lijn. Dat was ook onze insteek om er zo voor te zorgen dat iedereen hier met plezier naar het sportpark kwam. Daar zijn we de afgelopen tijd honderd procent in geslaagd. Nu zijn we klaar om ook voetbalinhoudelijk stappen te gaan maken.” “We praten veel met de coaches en laten ze ook zelf over dingen nadenken”, vervolgt hij. “Ik vraag ze wat er gebeurt als ze op een bepaalde manier reageren. Dat vullen ze dan zelf in. In mijn beleving gaat het niet om het winnen van wedstrijden en daar maken we de trainers bewust van. Toch is dat wel lastig om eruit te krijgen en het blijft een punt van discussie. Uiteindelijk wil je natuurlijk een wedstrijd winnen, maar het gaat om de manier waarop.”

Het plan staat nog niet op papier, maar dat is wel de bedoeling. Van Gelderen wil ook dat zijn opvolger doorgaat op de ingeslagen weg. “De reden dat ik hoofd opleidingen ben geworden bij Sporting Almere is omdat ik een omslag teweeg wilde brengen. Als ik niet meer op deze stoel zit, hoe gaat het dan verder? Is het dan nog steeds rustig? Dat durf ik niet te zeggen. Het is belangrijk wie er na mij aan het stuur zit. We zijn nu concreet bezig met een breed gedragen plan, zodat ook andere commissieleden achter het plan staan. Alleen op die manier krijgt het plan een goed vervolg bij mijn opvolger.”

Trainingen

Het plezier terugvinden op de club is dus gelukt. Nu wil Van Gelderen ook stappen maken op voetbaltechnisch gebied. “Dat doen we door het geven van pupillentrainer cursussen. Ik ben eigenaar van VoetbalCity en we trekken ook het land door met clinics. We combineren oefenstof met praktijkvoorbeelden.”

Van Gelderen vindt dat ongeschoolde trainers eerder iets kapot kunnen maken dan dat ze spelers beter maken. “Ik ben nu 43 en toen ik training kreeg deden we aan bokje springen en stonden we als spelers op een rij met afronden. Veel vaders geven tegenwoordig training zoals ze die zelf hebben gehad. Dus als je niet oppast zie je veel loopvormen of altijd dezelfde afwerkvormen. Vaders hebben vaak een baan en bedenken op weg naar de training wat voor oefeningen ze die avond gaan doen. Dan bedenken ze dat de training van vorige week wel lekker liep en zijn ze geneigd dezelfde training te geven. We willen in thema’s gaan trainen en zorgen dat het niveau van het kunnen voordoen niet zo belangrijk is en dat de oefening de techniek aanleert. Als de afstanden goed zijn en de organisatie goed is, dan is het aan de vader om de kinderen te enthousiasmeren. Het gaat erom dat de kinderen de oefening honderd procent uitvoeren. Dan maken de spelers de meeste stappen. Door het aanbieden van de juiste oefenstof aan vaders en er voor zorgen dat de spelers hem met complete inzet uitvoeren, werkt dat het beste.”

Plezier

Elke jeugdtrainer wil het plezier bij een spelersgroep bevorderen. Een mooie insteek, maar hoe breng je dat in de praktijk. Volgens Van Gelderen word je alleen beter als je oefeningen met plezier uitvoert. Bij de oude Coerver-methode worden oefeningen heel statisch uitgevoerd. Slechts een enkeling houdt dat lang vol. Je kunt die oefeningen ook in wedstrijdvorm aanbieden. Als je elk kwartier een andere vorm aanbiedt, dan kun je dat prima twee uur lang volhouden. Als een speler dat goed uitvoert en de trainer zorgt voor beleving, dan gaan ze als de brandweer.”

Belangrijk is dat spelers niet kritisch naar elkaar zijn over de uitvoering, maar wel elkaar aanspreken als de inzet niet optimaal is. “Je ziet dat spelers elkaar aanmoedigen en pas feedback geven als ze merken dat iemand zich niet honderd procent inzet. Als iedereen zijn best doet, dan balen ze wel als ze een potje verliezen op de training. Dat mag ook en als trainer prikkel je ze daarmee. Zorg dat je korte wedstrijden speelt, zodat je na een korte partij weer op 0-0 begint. Als je dat goed doorvoert binnen een jeugdopleiding, maak je grote stappen.”

Evenveel speeltijd

Het geven van even veel speeltijd aan kinderen is in de meeste jeugdopleidingen een item. Dat is niet anders bij Sporting Almere. Bij de club van Van Gelderen gaat het soms niet alleen om de hoeveelheid speeltijd, maar ook wanneer spelertjes wissel staan. “Wij ervaren ook dat het plezier bij spelers afneemt als ze minder speeltijd krijgen. Ouders komen dan naar me toe en ik geef ze geen ongelijk. Een trainer kan mij geen goede reden geven waarom een speler minder speeltijd krijgt dan zijn teamgenoot. Een ouder kwam een keer naar me toe en klaagde dat haar kind altijd als eerste wissel stond. Dan speelt iedereen weliswaar evenveel, maar het kind vond het vervelend. Daar moet je als trainer dan rekening mee houden. Als je als trainer dan ooit een kind een ‘sanctie’ wil geven, is hem als eerste wissel zetten beter dan minder speeltijd geven. Het is een manier om spelers te motiveren, want blijkbaar voelt als eerste wissel staan niet goed.”

“De trainers van de onderbouw hebben de cursus gevolgd en weten hoe we er als club mee omgaan”, gaat Van Gelderen verder. “We zijn bezig om zaken op papier te zetten, zodat ook ouders ons beleid terug kunnen vinden. Er ligt dus nog geen technisch opleidingsplan, maar we hopen deze voor het eind van het seizoen klaar te hebben.”

Eerste elftal

Het geven van evenveel speelminuten gebeurt bij clubs veel bij jeugdteams. Maar in Almere gaan ze een stapje verder. De selectieteams en zelfs bij het eerste elftal komt iedereen aan spelen toe. “Ik ben ook trainer van het eerste elftal en het gebeurt me niet dat ik jongens de hele wedstrijd op de bank laat zitten. Dat heeft mede te maken met een ervaring uit het verleden. Ruim tien jaar geleden speelden we een keer in de kop van Friesland. Toen heb ik twee spelers laten warmlopen, waarvan er eentje vijf minuten speelde en de ander helemaal niet. Bij terugkomst gaven ze aan zoiets niet nog een keer te willen. Op weg naar huis besefte ik dat ze daar gelijk in hadden. Om de groep continu zo groot mogelijk te houden heeft iedereen een belangrijk aandeel in de wedstrijd. Dat koppel ik ook terug naar de andere trainers. Binnen alle leeftijdcategorieën willen we dat iedereen evenveel speelt. Of je nu in de A1 of A6 speelt. Er is altijd een uitzondering mogelijk, maar over het algemeen is dat de regel.”

Het ‘iedereen is gelijk’-principe uit zich ook bij het samenstellen van de elftallen. Of het gebrek daaraan. “We maken geen selectieteams, maar selectiegroepen. In de D-selectie hebben we dertig spelers, vijftien eerste- en vijftien tweedejaars. We delen ze niet in bij een team, maar ze trainen samen. Op de tweede trainingsavond trainen ze samen met de groep waar ze zaterdag mee gaan spelen. Zo krijg je een betere kruisbestuiving. Als je goed presteert in het tweede elftal kan je goed aansluiten bij het eerste. En als iemand normaal in het eerste elftal speelt en ziek is geweest, gaat hij zaterdag met het tweede mee. Het zorgt voor een natuurlijke rust.”

 

1 + 1 = 3

Zoals reeds in december 2015 op beide websites heeft gestaan, hebben Dotcomsport en Vakbond Voetbal Oefenmeesters Nederland (VVON) een overeenkomst getekend voor een unieke samenwerking.

Dotcomsport is een softwareleverancier die producten en diensten aanbiedt en doorontwikkelt voor de voetbalmarkt. Met onder andere het Spelervolgsysteem Dotcomclub, welke operationeel is bij een groot aantal amateur- en professionele voetbalorganisaties, hebben zij veel gebruikers die tevens lid zijn van de VVON.

Voetbalmarkt

Dotcomsport streeft ernaar om alleen software voor de voetbalmarkt te ontwikkelen, welke ook daadwerkelijk wordt gebruikt binnen voetbalorganisaties. Op de voetbalmarkt zijn veel systemen te vinden die vooraf erg interessant lijken, echter in praktijk stranden gezien de complexiteit ervan. Dotcomsport heeft als uitgangswaarde dat iedereen met het systeem moet kunnen werken, met en zonder kennis van computers of apps! Trainers, coördinatoren/TC en bestuurders mogen dan ook actief meedenken in de verdere ontwikkeling van het spelervolgsysteem. Samen met de voetbalpraktijk komen zij zo tot een uniek en gebruiksvriendelijk product. Het spelervolgsysteem dient als stabiel platform binnen de organisatie en zorgt voor een gestructureerde en uniforme opleidingsweg voor de trainer(s), die bijdraagt aan de optimale ontwikkeling van voetballers. Om de ontwikkeling van voetballers beter inzichtelijk te krijgen is een spelervolgsysteem van groot belang. Ook kunnen spelers zelf hun ontwikkelpunten inzien en bijhouden. Het systeem waarborgt de continuïteit van de voetbalopleiding en draagt zodoende bij dat de club of trainer minder kwetsbaar is bij eventueel verlies van belangrijk technisch kader. Het spelervolgsysteem is in staat om alle geledingen binnen de voetbalorganisatie te ondersteunen. Het implementeren van informatietechnologie (ICT) past bij veel trainers en clubs in de ontwikkeling van de organisatie, omdat de vastgelegde gegevens stafleden ondersteunt in het eenduidig volgen en verder ontwikkelen van visie binnen de opleiding.

Wie kunnen er mee werken:

Dotcomsport heeft o.a. de volgende rollen gedefinieerd in het systeem: Trainer-rol, Coördinator/TC-rol, Medische-rol, Scouting-rol, Video-analyse-rol, Speler-rol, Administratierol. Teams organiseren, indelingen maken, communiceren met stafleden en spelers (ouders/verzorgers) of bijvoorbeeld het digitaal voorbereiden van trainingen en wedstrijden, zijn acties die met Dotcomclub eenvoudig en efficiënt zijn uit te voeren. Iedere functie binnen de organisatie heeft binnen Dotcomclub zijn of haar eigen rol en daarbij behorende overzichten. Per rol is enkel informatie zichtbaar die ook relevant is voor de functie. De voordelen op een rij:
• Uniform platform met de juiste informatie voor alle functies binnen de voetbalorganisatie (gespecificeerd per rol)
• Koppeling met de KNVB-dataservice en Sportlink voor het automatisch inladen van standen, programma’s & uitslagen
• Overal toegankelijk (webbased) in een beveiligde omgeving
• Gebruiksvriendelijk! Meteen te gebruiken op uw tablet of smartphone. Technische functies staan het liefst op het veld, registratie moet dus snel en efficiënt
• Oefenstof bibliotheek
• Eenvoudig communiceren (e-mail, intern)
• Volledige ontwikkeling per speler, team en trainer in beeld
• Voorbereidingen, analyses, statistieken, beoordelingen en scouting gegevens digitaal beschikbaar in verschillende (grafische) overzichten
• Absentieregistratie altijd up-to date
• Flexibel instelbaar, Dotcomclub forceert u niet te werken met een bepaalde “leerlijn”
• Eenvoudig en snel bestanden en video’s delen of indien gewenst te coderen.

De webbased applicatie is, in combinatie met uw mobiele telefoon, pc of tablet, de ideale assistent van iedere (jeugd)trainer/coördinator of Technisch management. Wilt u meer informatie over de samenwerking met Dotcomsport of heeft u ook interesse in een licentie om het systeem te gebruiken? Kijk dan op www.dotcomsport.nl voor alle overige informatie. VVON-leden krijgen tevens een leuke korting op de standaard licentieprijs!

De kleine wereld

Ik heb al eerder gesproken over de argumenten waarmee de werkgever van de amateur voetbaltrainer soms probeert de arbeidsovereenkomst met de trainer-coach te beëindigen. Uiteraard zijn er soms omstandigheden die geen andere mogelijkheid openlaten dan het opzeggen van de arbeidsovereenkomst.

Tekst: R. Beele | Beeld: Shutterstock

In het algemeen mag van een goed handelend (voetbal) werkgever worden verwacht dat hij het functioneren van de trainer-coach periodiek evalueert. Aan de hand van de evaluatie kan dan een uitspraak worden gedaan over de wijze waarop de overeengekomen werkzaamheden worden uitgevoerd.

Periodieke evaluaties

Ik meld weinig nieuws als ik vertel dat mij opvalt dat werkgevers in het amateurvoetbal nauwelijks aandacht schenken aan de periodieke evaluaties van de werknemers. Als dan op enig moment aanleiding bestaat om de trainer-coach kenbaar te maken dat de arbeidsverhouding moet worden beëindigd, wordt veelal gebruik gemaakt van argumenten die in de meeste gevallen niet overtuigend voorkomen.

Het is mij gebleken dat slechts weinig voetbalwerkgevers consequent zijn in het tijdig nemen van maatregelen bij een dalende prestatiecurve. Wat de oorzaak van het niet tijdig nemen van maatregelen is, is niet altijd duidelijk. Mogelijk is het krediet dat de trainercoach heeft, een van de redenen. Ook kan het zijn dat de financiële consequenties van het voortijdig opzeggen door de werkgever als te grote last wordt gezien. Wat er ook over gezegd kan worden, op het moment dat de voetbal werkgever besluit om de arbeidsovereenkomst op te zeggen worden vaak argumenten naar voren gebracht die soms gezocht en opportunistisch zijn. Een kleine (onvolledige) bloemlezing:

●“Er is geen chemie meer tussen speler en trainer” Echter, zodra duidelijk is dat de ´chemie´ vermindert en het bestuur van de voetbalwerkgever daar over verneemt, ligt het op de weg van het bestuur om de trainercoach daarover vragen te stellen. Het kan dus niet zo zijn dat het bestuur constateert dat er ´plotseling´ geen chemie meer is.

●“De verstandhouding van de trainer-coach met de technische staf is verslechterd” Als de verstandhouding slecht zou zijn, is dat niet van de ene dag op de andere dag ontstaan. Ook hierin ligt een verantwoordelijkheid van de werkgever om bij ontluikende of reeds bestaande conflicten, deze (helpen) op te lossen.

●“Het vertrouwen van de spelers in de trainer is afgenomen” Deze boodschap is altijd afkomstig van de voetbalwerkgever. Deze heeft bij het overbrengen van de boodschap vaak niets gedaan aan het onderzoek naar de beweerde afname van het vertrouwen.

Bestuurlijke inmenging

Bij alle genoemde beweringen blijkt in vrijwel alle gevallen de voetbalwerkgever van mening dat die problemen thuishoren in de voetbal technische verhoudingen en dat voor bestuurlijke inmenging geen plaats is. Echter, niets is minder waar: zodra de voetbalwerkgever op de hoogte wordt gesteld van gebeurtenissen die het functioneren van de trainer-coach kunnen beïnvloeden, ligt het vanuit de normen van goed werkgeverschap op de weg van de voetbal werkgever om over te gaan tot het bespreken van die (al of niet beweerde) gebeurtenissen met de trainer-coach. Dat gebeurt in de praktijk echter vrijwel nooit. Op mijn vraag daarover, wordt door de trainercoach meestal geantwoord dat hij van mening is dat de problemen met (een deel van) de spelersgroep, of met (een lid van) de technische staf, rechtstreeks met deze betrokkenen moet worden besproken en opgelost. Dat standpunt is te waarderen, maar het gaat zowel aan de competenties van de trainercoach als aan de verplichtingen van de voetbalwerkgever voorbij. In grotere sportorganisaties worden situaties van ontevreden of (naar eigen mening) miskende sporters waaruit conflicten met de begeleidend coach zijn of kunnen ontstaan, vrijwel altijd opgepakt door de technisch directeur of technisch manager. Deze heeft meestal voldoende afstand om enigszins objectief over de ontstane situatie te oordelen. Een bijkomend voordeel is dat de trainer-coach niet tijdens de trainingen of wedstrijden met de betreffende speler in discussie behoeft te gaan. Uiteraard realiseer ik me dat het voorgaande voor teamsporters anders kan zijn dan voor individuele sporters.

Ondersteuning

Als gevolg van de tussenkomst van de technisch directeur of technisch manager wordt de trainer-coach namens/door de werkgever ondersteund bij de uitvoering van zijn veelzijdige taken. Dat is in overeenstemming met hetgeen van een goede werkgever mag worden verwacht. De trainer-coach die van mening is dat hij zonder ondersteuning van anderen in staat is om eventuele meningsverschillen met een door hem getrainde sporter/speler op te lossen komt vaak van een koude kermis thuis. Natuurlijk is een trainercoach in staat om soms optredende irritaties van een speler over de gekozen trainingsaanpak of spelerswissel met de speler te bespreken en in harmonie te beëindigen. Het wordt echter anders als de irritatie overgaat in een heus conflict tussen de speler en de trainercoach. Als dan vervolgens ook de sportieve resultaten tegenvallen, ontstaat voor de trainercoach een risicovolle situatie. Slechts in sporadische gevallen is mij bekend dat op dat moment de voetbalwerkgever actief in het conflict tussen beide(n) komt. Het komt veel vaker voor dat de voetbalwerkgever de ontstane situatie op zijn beloop laat. Als die situatie vervolgens vrijwel onomkeerbaar is geworden, wordt de trainer-coach gemeld dat hij op non-actief wordt gesteld of dat de arbeidsovereenkomst wordt opgezegd. (Gemakshalve laat ik maar even in het midden of de opzegging rechtens kans van slagen zou hebben.)

Onprettige gesprekken

De voetbalwerkgever probeert altijd een minnelijke regeling te treffen nadat de trainercoach is opgezegd. Gesprekken over een minnelijke regeling verlopen niet altijd even prettig. De trainer-coach is nog altijd van mening dat hem de ontstane situatie ten onrechte wordt verweten. Om de trainercoach alsnog over de streep te trekken worden diverse argumenten naar voren gebracht. Vaak is er ook al een bericht op de website van de voetbalwerkgever verschenen waarin is vermeld dat partijen na onderling overleg hebben besloten de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Van onderling overleg is in de meeste gevallen dan nog geen sprake geweest. Niettemin heeft de voetbalwerkgever reeds een voorschot genomen op hetgeen alsnog gaat gebeuren: de wederzijdse overeenstemming wordt bereikt waarbij een vaak gehoord argument is dat de trainer-coach toch zou niet willen dat negatieve informatie over hem bekend wordt gemaakt. Immers, de voetbalwereld is volgens de voetbalwerkgever een kleine wereld is waarin men elkaar kent. Inderdaad, een kleine wereld.

“Goede coaching kan dertig procent van de tegendoelpunten voorkomen”

Kees van Laaren stond vijfentwintig jaar onder de lat. Tegenwoordig probeert hij als keeperstrainer de doelmannen van v.v. De Meern, Montfoort en keepersschool Midden-Nederland de fijne kneepjes van het vak bij te brengen. “Een keeper die goed coacht kan dertig procent van de tegendoelpunten voorkomen.”

Tekst: Martin Veldhuizen | Beeld: Martin Vink

In de deuropening van zijn moderne eengezinswoning in Vleuten verschijnt de enorme gestalte van Kees van Laaren. Ruim 1.90 meter lang, handen als kolenschoppen en een bovenlijf waar de gemiddelde krachtsporter met ontzag naar kijkt. Als Utrechts jochie was de nu 48-jarige Van Laaren al groter dan zijn leeftijdsgenoten. Maar het was niet alleen zijn imposante lengte die hem al op veertienjarige leeftijd een basisplaats opleverde in het eerste van het roemruchte Velox, de club waar Willem van Hanegem werd ontdekt en die in 1970 samen met Elinkwijk en DOS tot FC Utrecht fuseerde. Van Laaren was ook zeer talentvol en kreeg als tiener regelmatig een uitnodiging van de Utrechtse profclub om in testwedstrijden zijn kunsten te laten zien.

Beregezellig

“Helaas keepte ik op die momenten niet mijn beste partijen, waardoor het nooit tot een overstap is gekomen”, zegt Van Laaren over die periode. “Op mijn twintigste kon ik als amateur wel naar Wageningen, waar op dat moment veel Utrechtse jongens speelden, en die kans greep ik met beide handen aan. Ik dwong er een contract af, maar net nadat ik voor twee jaar had getekend ging de club failliet.”

Een vervolg in het betaald voetbal zat er voor Van Laaren niet in, ondanks belangstelling van FC Twente. “De financiële voorwaarden waren onvoldoende, bovendien was ik tijdens een training bij Wageningen op een steen gedoken en kreeg ik last van mijn knie.” Hij keepte nog een paar jaartjes bij BVC, FC De Bilt en de Utrechtse volksclub RUC, maar al snel vond Van Laaren het mooi geweest. “Vooral bij RUC was het beregezellig, maar tijdens trainingen stonden we soms met zes man op het veld. Daar kon ik slecht tegen, dus ik stopte met keepen.”

Alessandro Damen

De liefde voor het keepen was echter niet verdwenen en toen zijn dochter bij De Meern ging voetballen, het gezin Van Laaren was inmiddels naar Vleuten verhuisd, keerde hij terug op het veld. “De Meern speelde in de derde klasse zondag en de toenmalige trainer Hans de Wit, met wie ik eerder bij Elinkwijk had gevoetbald, vroeg of ik de selectiekeepers wilde trainen. Ik was eerder keeperstrainer bij FC De Bilt geweest en dat was mij goed bevallen, dus ik reageerde positief. Een jaar later nam ik ook de keepers van de zaterdagselectie bij De Meern onder mijn hoede.”

Tegelijkertijd volgde Van Laaren verschillende keepersopleidingen, hij gaf clinics bij verschillende clubs en was trainer bij de keepersschool van FC Utrecht. Zijn werkwijze sloeg aan bij De Meern, dat hem vroeg een opleiding op te zetten voor de keepers van de jeugdselecties. “Ik vond echter dat álle jeugdkeepers van de club er recht op hadden, niet alleen de geselecteerde keepers.”

Het bleek een goede beslissing te zijn, want één van de keepers uit een lager elftal was Alessandro Damen, de huidige keeper van Excelsior. “Alessandro was geen groot talent”, stelt Van Laaren. “Maar op wilskracht en mentaliteit ontwikkelde hij zich spectaculair.” Damen werd keeper van het eerste elftal van De Meern, dat inmiddels in de eerste klasse speelde. Hij deed het zo goed, dat Marinus Dijkhuizen, die in januari 2014 van De Meern naar Excelsior ging, hem in de zomer 2014 naar Rotterdam haalde. Al snel debuteerde hij in de Eredivisie, maar vooralsnog bleef de teller op elf Eredivisie-wedstrijden steken vanwege een gescheurde kruisband.

Voetenwerk en coaching Damen is overigens niet het enige talent dat via de keepersopleiding van De Meern bij een profclub terechtkwam. Ook Menno Vink, doelman van FC Utrecht Onder 17 en Oranje Onder 16, werd jarenlang door Van Laaren onder handen genomen. Wat is het geheim van de vriendelijke reus, die niet alleen de keepers van De Meern traint, maar ook die van Montfoort én leiding geeft aan de Utrechtse vestiging van keepersschool Midden-Nederland, waarvan Lambert Jager de eigenaar is? “Ik denk dat eerlijkheid mijn grootste kwaliteit is. Als een keeper het talent mist of er onvoldoende voor doet om zichzelf te ontwikkelen dan zeg ik dat eerlijk. Of het nu een kind is of een volwassene. Voor de rest geef ik gewoon de oefeningen en begeleiding die ik nodig vind.”

Goed voetenwerk, een goede techniek en goede coaching zijn daarbij zijn speerpunten. Vooral dat laatste aspect wordt nog wel eens onderschat, vindt Van Laaren. “Een keeper die goed coacht kan dertig procent van de tegendoelpunten voorkomen. Elke keeper krijgt een kick van een mooie redding, maar ik geniet ook als ze door hun medespelers goed te coachen een mogelijke kans verijdelen. Een goede keeper heeft oog voor gevaar op rechts terwijl de bal aan de linkerkant is of andersom.”

Bij weinig dreiging kan dat volgens Van Laaren op een rustige manier, maar in gevaarlijke situaties moet dat kort, fel en met een brul. “Als een keeper ‘los’ roept moet dat over het hele veld te horen zijn. En vaak roepen keepers ‘jij’ om een medespeler aan te sporen tot actie, maar wie bedoelen ze dan? Dat kunnen ze alle tien zijn. Ze kunnen beter een naam noemen. Overigens hoeven mijn keepers niet tot over de middenlijn te coachen. Toen ik zelf nog onder de lat stond deed ik dat wel, maar nu weet ik dat het weinig nut heeft. Het geeft alleen maar onrust, de keeper kan zich beter concentreren op de verdedigende posities in het elftal.”

Kortste weg Natuurlijk beseft Van Laaren dat het onmogelijk is om geen enkele kans weg te geven. Maar als de tegenpartij een mogelijkheid krijgt, heeft hij een eenvoudige doch doeltreffende oplossing. “Een keeper moet zo in het doel staan, dat hij de meeste kans heeft de bal tegen te houden”, zegt hij lachend. Met een serieuze blik vertelt hij hoe hij zijn pupillen daarmee helpt. “Iedereen weet dat een keeper op zijn voorvoeten moet staan omdat hij dan de grootste afzet heeft. Maar over de positie van de handen zijn de meningen verdeeld. Veel keepers krijgen het advies om met de handen wijd naast het lichaam te staan, zodat ze zich groot maken. Ik denk dan altijd: je kunt ook elke dag een zak patat eten, dan word je vanzelf groot. Mijn keepers vormen met de handen een kommetje, waarmee ze de kans verkleinen dat de bal via de handpalm terug stuit. En ze houden hun handen niet náást het lichaam maar ervóór. Van daaruit is de weg naar de bal namelijk het kortst. En de kortste weg is ook de snelste, die fractie van een seconde kan net het verschil maken.”

Aanvallend keepen

Aanvallend keepen, dat is de stijl waar Van Laaren van houdt. Zijn keepers wachten niet op de doellijn om vervolgens met een zweefduik de bal uit het doel te ranselen maar gaan zo snel mogelijk naar de bal. “Geen enkele aanvaller vindt het prettig als een keeper kort op hem komt. Het inschatten van het juiste moment is daarbij enorm belangrijk. We trainen er veel op, er zijn talloze oefeningen waarbij je keepers kunt leren op tijd hun doel uit te komen. Door er continu op te hameren, gaan ze die momenten in de wedstrijden vanzelf herkennen.”

Van Laaren geeft nog een voorbeeld van aanvallend keepen. “Een keeper moet kunnen inschatten waar een corner van de tegenpartij terecht komt. Bij een corner die vanaf links door een rechtsbenige wordt getrapt kan hij gerust wat verder van zijn doellijn staan dan bij een corner die indraait. Het klinkt heel simpel en dat is het ook. Maar ik zie regelmatig keepers die dat onderdeel van het spel onvoldoende ‘lezen’, onbegrijpelijk vind ik dat.”

Hart van de bal

Verder houdt Van Laaren zijn keepers altijd voor positie te kiezen in ‘het hart van de bal’ en daarbij voortdurend oogcontact te houden met de bal. “Zelf liet ik mijn linkerhoek altijd iets meer open. Dat was mijn sterke hoek en op die manier probeerde ik de aanvaller die kant te laten kiezen. John Agterberg, een goede vriend van mij die keeperstrainer is bij Liverpool, leert zijn keepers om met het been van hun sterkste kant het hart van de bal te kiezen, zodat zijn sterke hoek net iets groter is dan de andere. Zoals ik vroeger keepte dus. Inmiddels heb ik een andere mening. Ik wil dat mijn keepers met de bal mee bewegen en altijd het hart van de bal volgen. Zodat beide hoeken evenveel ruimte bieden en de aanvaller moet kiezen en misschien gaat twijfelen. En ik wil dat ze altijd achteruit teruglopen naar hun doel en oogcontact houden met het spel, terwijl anderen vinden dat keepers zo snel mogelijk naar hun doel moeten terugkeren.”

Hij vertelt over nog een paar details waar verschillend over wordt gedacht. “Een aantal jaren geleden zag ik FC Utrecht-doelman Michel Vorm bij een vrije bal áchter zijn doellijn staan. Ik vroeg Maarten Arts, die destijds de trainer was van Vorm, naar de reden. Zo had hij langer de tijd om te reageren, was zijn antwoord. Maar vrijwel iedereen vindt dat je iets voor je doel moet staan keepen om zo je goal te verkleinen. Nog een verschil: in Nederland leren wij keepers met hun linkerhand naar de linkerhoek te duiken en met rechts naar de rechterhoek. In Duitsland doen ze dat vaak andersom. En ík leer mijn keepers om met hun armen en bovenlijf te keepen, terwijl bijvoorbeeld Manuel Neuer vaak met zijn benen vooruit een redding verricht. Ach, er is natuurlijk niet één wijsheid. Je kunt moeilijk zeggen dat Neuer een slechte keeper is. Samen met Iker Casillas vind ik hem momenteel zelfs de beste van de wereld. Vooral vanwege hun uitstraling, ze geven tegenstanders echt de indruk dat er niks te halen valt. Prachtig vind ik dat!”

Praatprogramma’s

Dan pakt Van Laaren, die al anderhalf uur enthousiast vertelt over zijn vak, een stapel papier met allerlei trainingsvormen erbij. Vol gedrevenheid laat hij zien welke oefeningen hij zijn keepers voorschotelt, van warming-up, via conditie- en techniektraining tot wedstrijdgerichte afrondvormen. “Het trainen van keepers is fantastisch. Als ik een kans zou krijgen er mijn beroep van te maken zou ik die beslist pakken. Maar ook zonder dat ik mijn brood ermee verdien vind ik het geweldig. Ik hoef niet op kampioensfoto’s, doe mijn werk graag op de achtergrond. Maar het is fijn als keepers graag met je werken, als ouders trots komen vertellen dat hun zoon met sprongen vooruit is gegaan.”

Toch, een beetje meer waardering voor de keepers en de keeperstrainer zou op zijn plaats zijn, vindt Van Laaren. “Keeperstrainers worden niet altijd serieus genomen. In praatprogramma’s als Voetbal Insite wordt Frans Hoek bijvoorbeeld regelmatig zwart gemaakt. En er wordt volop commentaar gegeven als een keeper een fout maakt, maar ik hoor ze nooit oplossingen aandragen. Ook bij zijn clubs heeft hij niet louter positieve ervaringen. “Bij trainingskampen mag ik vaak alleen mee als er een plekje vrij is. En bij sommige hoofdtrainers bleef mijn inbreng beperkt tot het ophalen van ballen die de bosjes in gingen. Terwijl specifieke keepersoefeningen prima kunnen worden ingepast in een opbouw- met afrondvorm. Na de afronding begint de oefening meestal opnieuw, maar je kunt de oefening ook voortzetten met een spelhervatting van de keeper. Geen enkele keeper is er namelijk bij gebaat om op de training slechts als kanonnenvoer voor de aanvallers te dienen.”

 

INZICHT - column

Nederland heeft een merkwaardig voetballandschap. Ik denk niet dat er nog landen zijn die over een aparte zaterdag- en zondagcompetitie beschikken. Ik kan me het nauwelijks voorstellen. We zijn daar absoluut uniek in. Die splitsing is een overblijfsel uit de tweede wereldoorlog. De Duitse bezetter had de toen functionerende aparte voetbalbonden, onder één paraplu gebracht. De KNVB trok die lijn na de capitulatie door, echter wel met de voorwaarde dat de clubs van de Christelijke Nederlandse Voetbalbond (CNVB) niet op zondag hoefden te voetballen en de leden van de Rooms Katholieke Voetbalbond (RKVB) niet voor 12.00 uur op zondag hoefden te spelen.

Decennia later is er van die afsplitsing op religieuze grondslag totaal niets meer te bespeuren. Sterker nog, waarom er anno 2016 nog steeds een zaterdag- en zondagcompetitie bestaat is niet meer uit te leggen. Vier jaar terug heb ik hier al aandacht voor gevraagd, wat me een aantal geïrriteerde reacties vanuit het ‘zaterdagkamp’ opleverde. Voortschrijdend inzicht geeft aan dat het hoog tijd wordt dat de KNVB aanstalten maakt om die rimpels in het voetballandschap glad te strijken. Het is te gek voor woorden dat verenigingen niet over spelers uit de eigen club mogen beschikken die in een andere competitie staan ingeschreven. Ze zitten wel in dezelfde kantine, dezelfde kleedkamer, zijn lid van dezelfde club maar mogen niet met elkaar voetballen. De religieuze grondslag die de basis vormde voor die verschillende competities is al lang verdwenen. Voetballers die nog puur vanwege hun religie niet op zondag willen spelen vormen geen meerderheid meer in het zaterdagvoetbal. Reden is dat er vooral in de top van het zaterdagvoetbal fors wordt betaald, wat een uitstekende reden blijkt te zijn om de overstap te maken. Een andere reden is dat veel spelers de geneugten van voetballen op zaterdag hebben ontdekt om de zaterdagavond als ‘stapavond’ te gebruiken en op zondag lekker uit kunnen slapen, terwijl ook de 24 uurs economie een duit in het zakje doet.

Daarnaast zijn er ook al zaterdagverenigingen die een zondag tak toestaan om aan de wens van haar leden tegemoet te komen. Als u het nog snapt mag u het zeggen. Ik zie geen enkele reden meer om de splitsing tussen zaterdag- en zondagvoetbal in ons huidige tijdsgewricht in stand te houden. De competitie kan over een heel weekend, van de vrijdagavond tot en met de zondagmiddag worden uitgesmeerd. Nieuwe tegenstanders, nieuwe uitdagingen zal een geheel ander landschap opleveren. Niet uit te sluiten is dat er ook welkome fusies van verenigingen en een beter gebruik van accommodaties gaat ontstaan. Het voetbal zal er niet slechter van worden en dat is toch waar we het voor doen. Het zou de KNVB sieren om eens een keer een werkgroep te benoemen die dit gaat onderzoeken. Die paar bestuurders die dit uit fundamentele overwegingen blokkeren, moeten ook tot dit inzicht komen, lijkt me. Het moet er ooit eens een keer van komen.

Hans Bijvank